100 jaar Dodge met Mötley Crüe

Hoe vier je het best het eeuwfeest van een uitzinnig automerk? Door even te bellen met de wildste rockers van de afgelopen eeuw natuurlijk.

Als een donderwolk aan bandenrook wegdrijft in de nachtelijke hemel, verschijnt het bekende, spitse gezicht van Richard Rawlings, bedenker, presentator en ster van de Amerikaanse tv-show Fast n’ Loud op het podium, wijst hij met beide handen naar het schreeuwende publiek en roept op de voor hem zo typerende wijze: ‘Get You Some of THAT!’ Wat het betekent weet niemand, maar de massa, zoals alleen massa’s dat kunnen, wordt wild.

Ze hebben er toch alle reden toe. Niet alleen omdat Rawlings net een set banden heeft vernacheld – alleen maar om te laten zien dat banden echt branden. En niet alleen omdat hij – als het nieuwe gezicht van de Amerikaanse woeste, alternatieve autocultuur – hen heeft verteld dat ze wild moeten worden. Al die duizenden mensen zijn louter en alleen naar deze plek gekomen om maar één reden: ze hebben Dodges en daar zijn ze buitengewoon trots op.

Tribale bijeenkomsten zijn niets nieuws, met name niet onder autoliefhebbers. En dit is weer eens wat anders dan een bijeenkomst van de Kadett Club. De mensen hier zijn naar Dallas, Texas, gekomen om het bestaan van Dodge te vieren, aangezien het de 100ste verjaardag is van het muscle-car-merk.

Het bedrijf begon destijds als de Dodge Brothers Company, in Detroit in 1900, toen deze gebroeders besloten Ford te verlaten om voor zichzelf te beginnen. Ze startten met het maken van auto-onderdelen voor de drie grote Amerikaanse autobouwers, in hun achtertuin, voordat ze in 1915 zelf auto’s gingen bouwen. Chrysler nam het merk in 1928 over en Dodge is vervolgens, door dik en dun, het merk met de vijfhoekige ster altijd trouw gebleven.

De entree van dit evenement van vandaag bedroeg 100 dollar. Die kreeg je bij de ingang terug als je in een Dodge kwam. Zo te zien hebben de meeste mensen dus hun geld teruggekregen. Het aantal auto’s ter plekke wordt door de organisatie op duizend geschat, afkomstig uit 38 Amerikaanse staten, en twee landen. Zodoende is er een mooie dwarsdoorsnede van de geschiedenis van Dodge: oud, nieuw, opgepoetst en uitgebouwd – en de meest grommende monsters.

Een wandelingetje over een van de vele parkeerplaatsen waarop de Dodges netjes naast elkaar staan geparkeerd – het merk is sinds dit jaar ook weer eigenaar van SRT – leert ons dat de eigenaars van Dodges al aan zelfexpressie deden voordat de social-media werd uitgevonden. Een nogal uit de kluiten gewassen eigenaar van een Challenger heeft het motorcompartiment van zijn auto zo gedecoreerd dat het op een flipperkast lijkt.

Iemand anders heeft een vreemde, Transformers-achtige constructie gebouwd waarbij alle panelen buitenwaarts exploderen, zoals een primitieve kever dat doet uit zelfverdediging. Dan zijn er rijen en rijen kale stock cars, die zowat de hele eeuw geschiedenis van Dodge omvatten.

Eigenaars met dwangneuroses zijn makkelijk te herkennen, aangezien ze alle papieren en alle – echt alle – rekeningen en onderhoudsgegevens van hun auto’s bij zich hebben, van de dag dat hun auto werd gemaakt tot de dag van vandaag, en die staan ter inzage naast hun auto’s. En het is ook niet moeilijk de extraverten te vinden, bij hun fluorescerende, limoengroene Vipers met turbo’s en hun kanariegele Chargers.

Er hangen een paar opportunistische ‘te koop’-bordjes achter de voorruiten van een handjevol auto’s, maar over het algemeen lijken de mensen te zijn gekomen om lol te maken, en niet om handel te drijven.

Onder de lolmakers bevinden zich de rockgoden van Mötley Crüe. In het kader van hun ‘Final, That’s It, Never Again (So Don’t Ask) [of zoiets, red.] World Tour’ zijn ze naar Dallas gekomen voor dit unieke evenement. Dat is niet erg verbazingwekkend, aangezien hun tour wordt gesponsord door Dodge.

Toch heeft het iets geks om deze stadionrockers te zien spelen op een plek die waarschijnlijk niet veel groter is dan de meeste van hun kleedkamers als ze op wereldtournee zijn. Vooral hier in Dallas. Dus waarom staan ze hier op een klein podium (voor Texaanse begrippen althans) en niet in een groot football-stadion in een echte rockstad als Los Angeles?

Vier oorzaken. Eén: Dodge organiseert al een hoop evenementen in Californië, en je kan het ook overdrijven. Vooral omdat Texanen meer Dodges kopen dan de mensen in enig andere Amerikaanse staat. Twee: Richard Rawlings is de nieuwe baas van Dodges marketingafdeling, en hij woont hier in Dallas. Drie: hij heeft zojuist een muziekhal geopend naast zijn uiterst succesvolle Gas Monkey Bar & Grill. En vier: hij heeft zijn vriend Dennis beloofd dat Mötley Crüe hier zou komen optreden op diens vijftigste verjaardag, die vandaag plaatsvindt. Toen Rawlings dat meer dan tien jaar geleden beloofde, dacht vriend Dennis dat hij een televisie met een dvd-speler op zijn terras zou zetten, niet dat het live zou gebeuren. Maar Richard en Dennis hebben het voor elkaar gekregen; hun droom is werkelijkheid geworden.

Een andere, onderhuids maar erg aanwezig gevoel op deze onwaarschijnlijke avond – die van voor naar achter is gevuld met Vipers en Hellcats die vulkanische burn-outs doen en gevuld is met mensen die van top tot teen hun liefde voor het merk door middel van tatoeages kenbaar maken – is dat dit eeuwfeest het begin van het einde vormt, niet alleen voor de Crüe-hardrockers maar ook voor de auto’s van Dodge.

De ondertitel van de Crüe-tour luidt ‘All Bad Things Must Come to an End’, en ze hebben zelfs een nieuw lied geschreven waarin die zinsnede voorkomt – want ‘bad’ is natuurlijk het rockwoord voor ‘goed’. Maar het zou net zo goed het lijflied kunnen zijn van Dodges dikke V8’s en V10’s, wier levens, hoeveel deze mensen en wij ook van die motoren houden, aan een heel dun draadje hangen. Reden: de verkoop van dingen als de geheel elektrische, ijsbeervriendelijke Fiat 500e in Los Angeles en verre omstreken.

Ik brul die gedachte in het oor van de eveneens aanwezige Dodge-baas Tim Kuniskis, maar hij bijt niet. Hij weet dat de Hellcats en Vipers even glorieus als haaks staan op verschijnselen als de Prius en de Tesla, en zegt alleen maar dat we een dikke Dodge moeten kopen nu het nog kan. Maar hij benadrukt nog iets anders. Ja, nieuwe technologieën zullen zeker ook bij Dodge worden toegepast, maar hij ziet de grote V8’s niet zo snel verdwijnen. Andere technologie, ja. Dood, nee.

Koppel Tims observaties aan een praatje dat ik recent maakte met een Dodge-techneut, die me ‘hypothetisch’ vertelde dat een nieuwe Dodge-supercar vierwielaangedreven zou kunnen zijn, een hybride aandrijflijn zou kunnen hebben (vooral omdat de technologie van Ferrari beschikbaar is gesteld voor de rest van de Fiat-Chryslergroep) plus een dikke V8, en het klinkt ineens of de volgende honderd jaar van Dodge veilig is gesteld. Want het doet er immers niet echt toe hoe je er komt, als je er maar komt, liefst met een hoop geronk.

Deze speculaties moeten hier even stoppen – aangezien er politie op het terrein is verschenen. Ik kijk naar de groep feestgangers naast me, we rollen met onze ogen en schudden onze hoofden. Een paar seconden later realiseren we ons dat de agenten niet zijn gekomen om iemand in de lurven te grijpen. Het betreft een politie-escorte van vier zwarte, omgebouwde Hellcats, die zich in de geïmproviseerde arena wurmen om daar de meest ondiplomatieke zaken uit te halen. Het is maar een kleine ruimte en de auto’s bewegen snel – en goeddeels zijwaarts – maar op miraculeuze wijze verloopt alles zonder ongelukken. Dat is niet alleen goed nieuws voor de monteurs ter plekke, maar ook voor het publiek, want als de auto’s stoppen, stappen de vier leden van de Crüe uit.

Dit is de eerste keer in tien jaar dat ze zich van zo dichtbij laten bekijken, dus zeg ik min of meer per ongeluk tegen mijn begeleider dat het geweldig is om hen eindelijk in het echt te mogen ontmoeten. Een paar minuten, flink wat gedoe met ‘access all areas’-polsbandjes en veel geblaf in walkietalkies later, sta ik oog in oog met de band zodat we even wat kunnen babbelen voordat ze het podium op gaan. Tommy Lee, legendarisch exhibitionist en ex-man van Baywatch’ Pamela Anderson, schudt me beleefd de hand en zegt hallo. Dan volgt Mick Mars, die er teer en breekbaar uitziet. Hij leunt naar me toe en knijpt in mijn hand alsof hij de nek van zijn gitaar uitwringt.

Na die ervaring groet ik bassist Nikki Sixx en zanger Vince Neil met een vuiststomp, en vraag hen wat ze rijden – Dodges, toch? ‘Tuurlijk’, zegt Vince. ‘Ik heb net een echt lekkere Viper gekocht. Met een pook [een handbak, red.] en het is al lang geleden dat ik daar ooit mee reed, weet je wel? Sloeg op weg naar huis gister nog drie of vier keer af. Kan me niet schelen. Ik houd van die auto.’

Maar natuurlijk. De met de hand gebouwde V10 is de perfecte automobiele analogie voor de zanger van de Crüe. Hij zou, nee, hij mág niet eens iets anders rijden. Voor zowel de zanger als de auto geldt dat ze ooit met pensioen zullen gaan, maar hoewel schijn bedriegt, gebeurt dat voorlopig nog niet. Prima.

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken