Autotest: Audi A4 3.2 FSI

Je zult maar Audi-ingenieur zijn. Moet je van een erg goede auto als de vorige A4 al was, een nog betere gaan maken. Ga er maar aan staan. Maar verdomd als het niet waar is: het is ze gelukt.
 
Wat mankeerde er dan in hemelsnaam aan de vorige A4? Nou, weinig. Al zou het prettig zijn als hij iets groter was. Iets meer hoofdruimte voorin, wat meer beenruimte achterin. Een grotere bagageruimte zou ook fijn zijn. Wat minder gewicht op de vooras. O, en wat meer spulletjes die in de A6 en A8 al behoorlijk gewoontjes aan het worden zijn. Als ze dan toch bezig zijn, hebben de designers en technici in de tussentijd natuurlijk ook niet stilgezeten, dus die hebben ook vast nog wel wat ideetjes. Oké mannen, aan de slag. Over vijf jaar klaar, goed?
 
Zo moet het ongeveer gegaan zijn, en aldus geschiedde. Het resultaat is deze nieuwe A4, die vanaf nu in de showrooms staat. Het uiterlijk is erg geslaagd. Hij lijkt nog het meest op een A5 waar ze twee extra deuren in gefiguurzaagd hebben. Dat bedoelen we als compliment. Hij blijft nadrukkelijk een ‘oude A4-achtig’-silhouet houden, maar is van voren en van achteren genoeg veranderd om als nieuw herkenbaar te zijn. Aan de voorkant komt dat vooral door die stoere led’s, die een soort lichtgevende mascara voor de koplampen zijn. Staat fantastisch – wel jammer dat het niet standaard is (onderdeel van het 1.700 euro kostende xenon-pakket). Over de flanken lopen fraaie glooiende lijnen – het lijkt er sterk op dat Chris Bangles BMW-ontwerpen ook bij Audi school hebben gemaakt.
 
Het interieur, altijd een Audi-stokpaardje, is grotendeels gelijk aan dat van de A5. Duidelijk, eenvoudig te bedienen en prachtig afgewerkt.
 
De A4 is een stuk gegroeid ten opzichte van z’n voorganger. Hij is met een lengte van 4,70 meter 11 cm langer dan de oude, en ook een klap langer dan de BMW 3-serie en Mercedes C-klasse. Belangrijker voor de binnenruimte is dat de wielbasis met 15 cm groeide, en dat is pure winst voor de inzittenden. Het lichtclaustrofobische dat je als achterinzittende nog wel eens kon hebben, is geschiedenis.
 
Door de vooras 15 cm naar voren te verplaatsen, komt het gewicht van de motor ook meer naar achteren te liggen. Dat zou een einde moeten kunnen maken aan een ander typisch A4-euvel: stevig onderstuur, waardoor in elke echt gezellige bocht het ESP hoofdpijn kreeg van alle ingrepen om de auto niet rechtdoor te laten gaan. Ook in die opzet zijn de techneuten geslaagd. Je moet nu wel erg lomp zijn om knipperende rode lampjes te zien te krijgen.
 
De betere gewichtsverdeling is daar niet de enige reden van. Audi heeft voor de A4 namelijk nog een technische primeur, die mettertijd z’n weg wel zal vinden naar alle andere modellen: drive select. Het is een elektronisch systeem waarmee je de afstelling van motor, versnellingsbak, besturing en schokdempers kunt bepalen. Er zijn in principe drie voor zichzelf sprekende standen: comfort, dynamic en auto. Als je nog het MMI-systeem hebt besteld (zeg maar het iDrive van BMW, maar dan tien keer makkelijker en twintig keer beter), dan krijg je er nog een stand bij, individual. Dan heb je nog meer keuzes, die je als een soort bookmarks voor je favoriete wegen kunt vastleggen. Hoe het werkt is niet zo interessant, spannend is dat het werkt. De verschillen zijn niet zó stuitend dat ze variëren tussen ‘waterbed’ en ‘vier houten wielen op een klinkerweg’, maar ze doen wel wat ze beloven.

De nieuwe A4 is een stuk comfortabeler geveerd dan de oude, die soms wel erg hard kon overkomen. Knap is dat je er desondanks veel harder de bocht mee door kunt, zonder overhellen of bandengejammer. Dankzij nog een ander nieuw systeem, dynamic steering, kan de hoeveelheid stuuromwentelingen variëren al naar gelang de omstandigheden. Inparkeren kan zonder overpakken, terwijl je bij hoge snelheid bij wijze van spreken kunt blijven hoepelen om de boel uit het gareel te krijgen.

 
Het systeem werkt samen met het esp, dus kan ook zelf met nauwelijks merkbare stuuringrepen de auto in het goede spoor houden. Het werkt voorbeeldig – je stuurt superdirect zonder ook maar iets aan gevoel in te leveren.
 
Alle motoren zijn onder handen genomen en zijn door de bank genomen zo’n 10 procent zuiniger en schoner geworden. De echte nieuweling is de instapdiesel, de 2.0 TDI. Jawel, Audi heeft eindelijk het licht gezien, want deze jongen is een common rail-diesel. De grotere diesels (de 2.7 van 180 pk en 3.0 van 240 pk) zijn nog ‘gewoon’ pompverstuivers, maar dat geeft niet; die zijn groot genoeg om wél lekker te klinken en niet de hele tijd een SoundmixPlaybackshow-imitatie van een tractor te doen. Met de kleinere motoren lukte dat een stuk minder en dus is daar nu een common rail-inspuiting voor gekomen. Prima motor trouwens, met z’n 140 pk en 320 Nm krachtig genoeg voor de A4. Veel minder moet het niet worden, trouwens. We maken ons dan ook lichte zorgen over de instapbenzinemotor, die nog moet komen; die moet het met 120 pk doen. Zien we dan wel weer.
 
Verder zijn er qua benzine nog de 1.8 TFSI van 160 pk en en hét snoepje, de 265 pk sterke 3.2 V6 FSI. Een wereldmotor, die laatste. Klinkt goed en presteert nog beter: een 0 tot 100 moet je in 6,2 seconden kunnen doen. Zeker in combinatie met dat drive select (en dan alles op ‘dynamisch’ zetten) een waanzinnig snelle driver’s car. De twee sterkste motoren zijn er trouwens verstandig genoeg alleen met quattro-vierwielaandrijving.
 
Het is al met al een indrukwekkende auto, die nieuwe A4. We hebben ons rot gezocht, maar we kunnen eigenlijk niets te mekkeren vinden. Of het moet, o verrassing, het prijsniveau zijn. De goedkoopste A4 kost namelijk 33.150 euro, maar dat is die 120 pk-benzine en die moet je dus niet hebben. Een instapdiesel komt al op 39.900 euro. Dankzij de polsdikke optielijst kun je dat verdubbelen. De 3.2 FSI kost, ga zitten, 52.665 euro. Doe er leer, 18-inch lichtmetaal, navigatie en wat van die leuke elektronische speeltjes bij en je bent dik 17 mille verder.

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken