De eerste Ape Grand Prix

Italiaans designicoon. Achterwielaandrijving. Helrood. Hoe zou TopGear de uitnodiging kunnen afslaan om mee te doen aan de eerste Ape-race?

Het lijkt alsof ie is genoemd naar een aap, maar hij is genoemd naar een bij. Als je de naam van Piaggio’s kleine tuk-tuk vanuit het Italiaans in goed Hollands vertaalt, is de Ape een bijtje.

De bij. Al 65 jaar lang stuiteren, hobbelen, crossen, rossen en stumperen Ape’s door mediterrane olijfgaarden, bestuurd door stokoude, gerimpelde boertjes, en over drukke piazza’s om brood en ijs en andere Italiaanse delicatessen te bezorgen. Dit is de auto van boer en middenstander, dit is de leverancierswagen die aan huis komt, dit is het gezicht van de Italiaanse middenstand. Een driewielige pakezel. Wij gaan, met de hele redactie, met ‘m racen.

Je zou je kunnen afvragen: hoezo dat? En: waarom? Dat deden wij ook. Even. Maar je ziet ze ook steeds meer buiten Italië, bijvoorbeeld in onze eigen grote steden, en om dat te vieren, hebben de makers van de Ape een Europees kampioenschap over zes races georganiseerd. Ze vroegen ons of we mee wilden doen aan de eerste race, op het Rye House-kartcircuit in het Engelse Hertfordshire. Het is maar een klein, kneuterig baantje, en de topsnelheid is er laag. Prima: de Ape heeft ook maar een één-cilinder benzinemotortje met 20 pk’tjes. Hij heeft handvaten. En twee supermarktkar-zijwieltjes die moeten voorkomen dat ie omkukelt. Kortom: hij heeft de rijeigenschappen van een Kip-caravan. Hij fungeert in Italië ook een beetje als een afgedankte caravan: vanuit de Ape verkoop je aan de kant van de weg je druiven, je olijven, en je verse wijnen.

Dus, daar gaan we; we beginnen aan de inaugurele Ape Grand Prix – nadat we ons hebben gekwalificeerd als tweede van vijf deelnemers. Er is een Le Mans-achtige start, waar de coureurs de baan over sprinten naar hun machines. Dat is waarom we onze beste kartrijder laten aftrappen. De rest van Team TG bestaat uit zes man, onder wie een die niet echt voltijds bij TopGear werkt, maar die wel snel is. Dit houden we verder onder ons, beste lezer.

Onze kartkampioen heeft een snelle start. Hij heeft zelfs wel eens eerder op deze baan gereden. Hij wint de sprint en rijdt meteen op kop. Maar twee andere Ape’s vliegen er ook fel in en knokken zich naar de ruimte aan weerszijden. Waarschuwingen worden uitgedeeld, en een inhaalverbod is even van kracht. Onze kartman blijft bij de twee andere snelle Ape’s hangen, tot hij in de tiende ronde z’n betere vermogens-gewichtsratio uitbuit en hen allebei in één beweging inhaalt. In de twaalfde ronde duikt hij de pitstraat in. Tijd voor Collega nummer 2.


Collega 2 (ronden 13–22): Grootscheepse blokkades zijn gaande. In de pits. De zwarte Ape 3 volgde onze machtige paarse dwergracer de pits in voor de rijderswissel, en omdat de pits vol staat met allerhande karting-parafernalia, is er geen ruimte om nog een Ape te laten passeren. Ik word aangeduwd, de pits uit, en wel zo snel dat ik per ongeluk in z’n drie begin en al in z’n vier rijd voordat ik goed en wel op de baan rijd.

Ik moet dus koppelen en terugschakelen naar z’n drie om een beetje vaart te kunnen maken, maar er voelt iets niet helemaal oké aan. Ik krijg ‘m wel in z’n twee. Er haakt helemaal niets meer in op de plek waar ooit de drie moet hebben gezeten. Juist. Ik ben de tweede van zes rijders en de bak is al naar zijn mallemoer.

En het wordt nog erger. Als ik naar beneden kijk om te zien wat er is misgegaan, drijf ik een ietsje weg van de ideale lijn en word ik ingehaald door Ape 3. Ik win meters op ‘m terug door de listigste bocht van de baan beter aan te snijden dan hij doet, en op het jubelgedeelte voor de pits, waar ik ‘m met onze eigen Ape zelfs weer voorbijsteek. Het publiek wordt wild. Een van mijn spiegels klapt plotseling in, en omdat mijn hand niet past door het gaas dat voor het raam is gespannen – een manoeuvre waardoor ik de zwarte Ape 3 niet echt kan afschudden – laat ik het maar zo. Als de 3 stug aandringt, is ie me te slim af. Ik kleef aan z’n bumper, ik lijk ‘m met mijn knieën naar voren te duwen, en de kans op revanche wordt me ontzegd. Want het team roept me in de volgende ronde naar binnen.

Collega 3 (ronden 23–28): Dit is pas racen. En ik doe het terwijl ik kaarsrecht zit in een soort koddig bakkie dat z’n wielen maar niet op de grond weet te houden. Ik begin te denken aan de techniek, en terwijl ik dat doe, mis ik z’n drie op het meest cruciale punt op de baan – de langzame bocht uit, naar het rechte eind.

Ik verschuif mijn gewicht, als in een zijspan, wanneer ik een bocht nader. Dat helpt het wiel aan de binnenkant naar beneden te houden, hoorde ik van zelfverklaarde Ape-veteranen in de pits. Ze hebben ongelijk: het wiel van de Ape komt nu al los van de grond – alleen maar omdát ik mijn lichaamsgewicht verschuif.

Ik passeer de pitstraat een paar keer. Geen idee hoe veel keer. Omdat ik de teambaas ben – Il Padrino – is het mijn taak om de stints te verdelen en toe te wijzen. Ik zou de hele race dus kunnen uitrijden en niemand die er iets van zou kunnen zeggen, maar ik besluit dat beschaving ook wat waard is en stop voor een rijderswissel. Nu is het de beurt aan een iets dunnere collega. Misschien is hij sneller.


Collega 4 (ronden 29–40): Tot dusver is mijn racecarrière beperkt gebleven door het, met een karretje, heel hard lopen door de gangpaden van supermarkten. Gedurende vele jaren heb ik daar zeer veel handigheid in gekregen; ik kan de haarspeldbochten van blikgroenten naar nasikruiden feilloos ronden, terwijl de wieltjes grappige pirouetjes in de lucht maken – twee wielen van de grond, ik beheers het allemaal.

Na drie ronden van mijn eerste echte gemotoriseerde race, kan ik vaststellen dat Ape-racen ongeveer op hetzelfde neerkomt. Ik grijp z’n handvaten en stuur de Ape door de eerste bocht, die naar links krult en dan ineens lijkt te eindigen in een betonnen muur.

Ik gooi mijn van azijn & olie naar ketchup-bochtje-expertise in de strijd en zowaar weet ik de bocht te halen en is de betonnen muur verdwenen. Dan rijdt er een andere rode Ape voor me, een die is gedubbeld. Hij panikeert in de eerste bocht en kapseist bijna. Toedeloe, rode Ape 2. Dan zie ik de Ape 3 in de verte rijden, en nu gaat het om de koppositie.

Ik benader ‘m van de buitenkant. Hij gaat ook opzij om z’n positie te verdedigen en krijgt daardoor last van dodelijk onderstuur in de volgende, scherpe bocht naar rechts. Ik knijp in de remmen en draai aan de hendels, en beweeg naar binnen. Mijn eenzame voorband vindt een beetje grip. Ik kom als eerste de bocht uit, en passeer zo de pits. Exact zo, mijn vrienden, rijdt, nee, zo racet men Ape.

Collega 5 (ronden 41–50): Collega 4 verlaat de Ape aan de rechterkant terwijl ik er aan de linkerkant in klim (een deurtje aan elke kant zorgt ervoor dat je pizza sneller wordt bezorgd). In de haast van het moment weet de Ape af te slaan, dus word ik, zoals Collega 2 eerder, aangeduwd, en de kleine motor pakt precies op het moment dat we het einde van de nauwe pitstraat naderen.

Dankzij enige meesterlijke tactiek mijnerzijds tref ik gedurende mijn hele stint geen enkele andere circuitgebruiker. Daardoor kan ik rustig nadenken. Er bevindt zich een veiligheidsgordel in de Ape, maar nog niemand van de collega’s heeft die gebruikt (want dan zou je je gewicht niet meer in de strijd kunnen gooien). Ik draag een helm, maar daaronder gewoon een jeans en een poloshirt. Er zijn maar twee vlaggen: geel en rood.

Ik stel me voor dat het vroeger ongeveer zo was om te racen. Zonder de huidige, antiseptische laptopdiagnoses. Ongeveer een kwartier later wordt mijn dagdroom ruw onderbroken door een plots naderende bocht.

Ik probeer de remmen. Niets. Koppeling? Geen effect. De vangrail is nu ongeveer groter dan mijn voorruit. Ik overweeg een gebed. Ah. Van het gas. Stoppen dan, nu. Vernedering vermijden. Pits in. Snel het stuur over naar een collega.


Collega 6 (ronden 51–70): Dank, collega’s. Ik rijd ‘m wel naar de finish. Zetten jullie de champagne vast koud?

Als Collega 6 het schrijven niet doet, doen wij, 1 tot en met 5, het maar. Hij heeft het nogal druk met sturen, dus hij heeft geen tijd om onderweg aantekeningen te maken. Zijn stint start met de dapperste pits-exit van de dag, waarbij hij de bandenmuur aan het eind schampt. Tegen het eind van het rechte stuk gooit hij een deur open, zodat hij naar buiten kan leunen om de gewichtsverdeling te optimaliseren. Er hangt inderdaad een bil uit de Ape. Dit is duidelijk een man die gewichtsverdeling uiterst serieus neemt. Dat blijft niet zonder gevolgen: zijn tweede ronde is onze snelste ronde tot dusver.

Hij raakt elke apex. Her en der maait hij zelfs wat bermgras. Terwijl hij daar zo fijn mee bezig is, komt er een andere Ape de pits binnen met mechanische problemen.

Collega 6 is immuun voor zulke details, en bouwt onze voorsprong verder uit tot, anderhalf uur nadat we zijn gestart, hij de geblokte vlag te zien krijgt. Hij komt naar de kant, laadt de rest van ons in het pick-upbakkie en begint aan een ereronde. Op snelheid. Terwijl we applaus in ontvangst nemen en gezessen op de bovenste trede van het podium poseren voor foto’s, rijdt er een lichtblauwe race-Ape uit de pits, de openbare weg op.
Dat was de Ape van de organisator, die ons vertelde dat hij verwacht dat een heel seizoen racen in een Ape hem ongeveer 10.000 euro zal gaan kosten – inclusief de Ape. In de Formule 1 koop je daar net een schroef voor, of zo. Toegegeven, de Ape doet geen 320 km/u en op al te veel pitspoezen hoef je ook niet te rekenen, maar je kunt wel harder lachen. En als je nog wat haardhout, ijs of pizza’s aflevert tussendoor, heb je dat geld zo terugverdiend.

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken