Uitgelicht: Hammond in de Gumpert Apollo

Snelheid in plaats van schoonheid lijkt het credo van de Gumpert Apollo te zijn. En dan die knullige naam. Richard Hammond probeert deze vreemdsoortige hyperauto.
 
Een flink bewerkte kont, een bulldog die pies van een distel likt of een bijziende eland na een dag waarin hij tegen iedere denkbare dennenboom is aangelopen, kies maar. Het moet een van de bovenstaande zijn. Ik weet het zeker. De meest onthullende aanklacht van het, eh, uitdagende uiterlijk van de Gumpert Apollo kwam toen Clarkson onthulde dat hij vond dat de auto er goed uitzag. En daar heb je het al; iemand die duizend jaar lang iedere dag dat pokdalige gezicht in de spiegel ziet, past zich op een gegeven moment aan en gaat de dingen anders zien. Net zoals iemand die zijn bril 24 uur per dag verkeerdom draagt. 
 
Persoonlijk wil ik dat het uiterlijk van een superauto – en mijn god als er ooit eentje is geweest, is dit hem wel – je hart doet opspringen, je adem doet stokken en je broek op spanning zet. De Gumpert Apollo zorgde bij de aanblik echter alleen voor een ongemakkelijk gevoel, een verlangen om zo snel mogelijk naar iets moois te kijken.
 
Dit is dan ook een buitengewoon voorbeeld van ‘vorm volgt functie’. In andere woorden, ze kunnen hem goed laten functioneren, maar ze kunnen hem er niet behoorlijk uit laten zien. Maar het is meer dan dat. Er is iets opzettelijk stompzinnigs aan de puntige neus, die kleine varkensoogjes en de lompe kont van het apparaat. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat hij er zo lelijk uit moet zien om te functioneren. Het is net als met bestuurders van die witte busjes die hun best doen om je dwars te zitten – zelfs al moeten ze meer moeite doen om net voor je de weg op te draaien en vervolgens daar doodleuk te blijven rijden en snelheid te minderen, dan doen ze dat alleen om je kwaad te maken om daarna doodleuk te beweren dat ze niet anders konden. Op dezelfde manier beredeneerd, moet de Apollo wel verdomde goed zijn om zijn achterlijke uiterlijk goed te maken.
 
En dat is hij. Misschien heb je aan het eind van ons vorige tv-seizoen wel gezien dat hij met stip bovenaan ons rondebord binnenkwam. De Apollo schoot het Top Gear-circuit rond in 1:17.1 waarmee hij de tijden van de Koenigsegg, de Porsche Carrera GT en de Zonda F verpulverde. En het gemak waarmee de Apollo dat leek te doen, die ongelooflijke prestatie heeft dan ook een reden. De Gumpert is gewoon een raceauto die wat manieren is aangeleerd zodat hij in deze wereld mee kan draaien zonder met zijn handen te eten en overal op straat te pissen. En zoals vaker met dit soort extremen is de Apollo aan het brein van één man ontsproten. Het is een van die types gedreven door passie en voortgestuwd door succes. De autobranche trekt dit soort mensen altijd aan door het snelle, blitse wereldje en de hightech. Zo bracht de kerel die Aston Martin in 1980 kocht en weer op het juiste spoor zette, bijvoorbeeld een kennelijk onweerstaanbare mix van glamour, kennis en zelfvertrouwen terug bij het merk dat de wereld niet kon weerstaan. Hij heette Victor Gauntlett en had de coolste naam ooit. De man achter het vehikel op deze pagina’s heet Roland Gumpert. En hij heeft bepaald geen coole naam. Het verklaart meteen waarom overal ‘Gumpert’ is opgeplakt en waarom zelfs de flitsende toevoeging ‘Apollo’ er geen glans meer aan kon verlenen.
‘Ik heb werkelijk geen enkel idee waarom ze zich zo druk hebben gemaakt over de gewichtsverdeling. De Apollo heeft helemaal geen gewicht om te verdelen’
 
Maar uiteindelijk komt het allemaal neer op wat het lelijke ding in z’n mars heeft. Roland was ingenieur bij Audi – vanzelfsprekend een goede eigenschap – en koestert nog steeds hechte banden met zijn voormalige werkgever. De Apollo maakt dan ook gebruik van een zwaar getunede versie van een 4.2 liter Audi-V8 die voor de zekerheid meteen maar is voorzien van twee turbo’s. Klanten die de ongeveer 310.000 euro (voor belastingen) ophoesten, kunnen kiezen voor de full-power-uitvoering met 789 pk, de 690 pk-versie of het beginnersmodel met een armzalige 649 pk. Keus in de positie van de bestuurdersstoel is er dan weer niet, want die zit muurvast.
 
Vergeet niet, de mensen achter de Gumpert zijn Duits en ze hebben het probleem dat ‘gewichtsverdeling’ heet geheel naar hun gebruik gründlich aangepakt. Het is altijd een uitstekend idee om de motor zo laag mogelijk en zo dicht mogelijk in het midden van de auto te monteren. Ook het overpeinzen van de positie van de brandstoftank komt de dynamiek ten goede, want hoe dichter de gewichtverdeling voor/achter bij 50/50 ligt, des te beter een auto stuurt. Maar jammer genoeg herbergt een auto altijd een groot en zwaar geval dat maar niet stil wil blijven zitten: de bestuurder. Daarom verwijderden de ingenieurs van de Apollo de in lengterichting verstelbare stoel, omdat dit een irritant zwaar component is. Zo kan die bestuurder de ideale gewichtsverdeling niet meer om zeep helpen. In plaats daarvan zit de stoel muurvast en kan die bestuurder zijn ideale zitpositie vinden door het stuur en de pedalen naar voren of naar achter te verstellen. Ik was dan ook terughoudend om het stuur vast te pakken en door het omhoog bewegen van m’n armen alles in de war te schoppen. Maar ik deed het toch, duwde de enorme pook van de sequentiële bak in z’n één, liet het loodzware koppelingspedaal opkomen en ging ervandoor.
 
En allemachtig, wat ging ik ervandoor. Ik heb werkelijk geen enkel idee waarom ze zich zo druk hebben gemaakt over de gewichtsverdeling. De Apollo heeft helemaal geen gewicht om te verdelen. En een lichtgewicht auto als deze, voorzien van 690 pk (in deze versie) gaat als een sneeuwkristal uit een sneeuwkanon. Die verdeling van kilo’s doet er helemaal niet meer toe. Maar ja, dat is allemaal natuurkunde. De Apollo is licht, heeft extreem veel vermogen en is dus in ieder geval heel snel in een rechte lijn. Net als mijn bureau.
 
Het indrukwekkende gedeelte dat laat zien hoeveel Roland Gumpert (ik kan het niet helpen om die naam steeds in een raar, bekakt accent uit te spreken, alsof ik de man zelf introduceer op het podium bij de plaatselijke Lions Club) weet over het bouwen van auto’s, komt naar voren als je de Apollo door een bocht jaagt. Het onderstel is volledig instelbaar en – ervan uitgaande dat je de zorgvuldig gekozen fabrieksinstellingen niet om zeep hebt geholpen door er zelf aan te klooien – een van de beste waarmee ik ooit heb gereden. De auto communiceert zo goed dat je in de zitting van je stoel het wegdek voelt en via het stuur gewezen wordt op oneffenheden daarin. Ook wielen die hun grip verliezen of halverwege de bocht juist weer vinden, ontgaan je niet. In een raceauto moet je weten wat ze alle vier doen. De Apollo is, kortom, een veel betere auto dan ik ooit bestuurder zal worden.  
 
Dit is overduidelijk een GT-racer en hij maakt zijn serieuze bedoelingen meteen duidelijk. Zo zitten er niet van die debiele plastic flippers aan het stuur om die sequentiële bak te bedienen, maar is er gewoon een versnellingspook, pontificaal naast je knie. Het ding is enorm en je moet er een flinke ruk aan geven om ermee te schakelen. Het dashboard steekt goed in elkaar en ziet er strak uit, maar het dient slechts om de instrumenten te herbergen die jou vertellen wat de motor doet. En hoe snel je je door het landschap beweegt. De enige gimmick is een achteruitrijcamera. En dat is strikt genomen niet eens een gimmick, want een achterruit is er niet. De Apollo beweegt zich vooral zo snel door bochten dankzij het enorm goede onderstel en de uitstekende afstelling daarvan. Niet omdat er een batterij computers aan boord is die berekent welk wiel hoeveel vermogen nodig heeft, of juist niet. En het mooie is dat je aan alles merkt dat deze auto ook echt hard wil, eenvoudigweg omdat hij daarvoor gemaakt is.
 
Voor zover je van comfort kunt spreken, is daar voldoende van om er de openbare weg mee te verkennen en hij past zelfs tussen smalle rijbanen. Maar waarom zou je hem dat aandoen? De Apollo hoort gewoon op het circuit; dat is zijn thuis. Het zou zonde zijn om hem uit zijn natuurlijke habitat te halen. Ik hou van tijgers, maar ik zou er niet een opsluiten in mijn tuin.
 
Na een dag stoeien met de Gumpert gebeurde er iets vreemds. Toen ik eenmaal wist waar het bij deze auto om draait, waar hij voor dient en hoe goed hij die taak uitvoert, kwam ik erachter dat ik niet meer misselijk werd als ik er naar keek.

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken