Uitgelicht: James met cabrio’s en ijs

James May neemt de mug en de mammoet van ons cabrio-konvooi mee naar de boulevard, want hij heeft trek in een ijsje.
 
Diep in de ondergrondse parkeergarage van TopGear stel ik de navigatie van de Rolls-Royce Phantom Drophead Coupe in en wacht op aanwijzingen. ‘Rijd naar de geplande route’, is het advies.
 
Nou, dat helpt, nietwaar? Het systeem had evenzogoed kunnen zeggen: ‘Rijd naar Bognor’, want dit hielp me natuurlijk geen klap. Het is maar goed dat ik de weg naar Bognor, aan de Engelse zuidkust, ken – of althans het eerste stukje – en dat ik ook daadwerkelijk naar Bognor wilde. Ik had zin in een ijsje, en nergens smaakt een ijsje zo goed als aan zee.
 
En dus draai ik de gigantische motorkap van de Rolls-Royce de ochtendspits van Londen in – dat amalgaam van prozaïsch staal (zoals het geschreven zou hebben gestaan in automagazines toen ik nog jong was) en filosofeer erover wat een pracht van een apparaat een moderne Rolls-Royce is om eens een stukje in uit rijden te gaan. Dit is een auto die voor mij werkelijk de wereld om me heen verandert – in de zin dat ie zich niet zozeer over het aardoppervlak begeeft, maar me deelgenoot maakt van het leven en van de reis terwijl ik teruggeleund zit in de bestuurdersfauteuil en het gevoel krijg dat alleen ouderwetse keizers en koningen kunnen hebben gehad.
 
Voor me – ver voor me – rijdt bij wijze van contrast, in knalrood de rol vervullend die in het geval van keizers en koningen voor een nationale vlag is weggelegd, en om iedereen te waarschuwen dat ik eraan kom, een Mazda MX-5. Het is de nieuwe, automatische versie met een handbediende flipperconstructie aan het stuur. Ja, je raadt het al: dit is een vergelijkende test.
 
Dat is niet zo dwaas als het op het eerste gezicht mag lijken. Natuurlijk is de Rolls-Royce een beetje duurder – dik zes ton tegen nog geen 40 mille – en aanzienlijk groter. Hij heeft ook meer vermogen, en is iets minder goed uitgerust om haakse bochten te kunnen nemen dan onze Japanse speelgoedauto ter grootte van een bakfiets. De Rolls-Royce heeft daarbij een traditionele stoffen kap, waar de Mazda een opklapbare hard-top heeft. En terwijl de Phantom vijf passagiers kan vervoeren, is de MX-5 echt een tweezitter.
 
Beide auto’s zijn voorzien van een automaat, maar dat moet je niet al te letterlijk nemen omdat de Rolls het soort auto is dat je in z’n ‘D’ zet totdat je butler ‘m in z’n neutraal zet omdat je van ouderdom overleden bent. De Mazda voorziet in de mogelijkheid – en moedigt je zelfs daartoe aan – om zelf te schakelen en pret te maken op verlaten binnenweggetjes. De een is een Brits instituut dat door Duitsers is overgenomen, de ander is een Brits instituut dat bruutweg door Japanners is gekaapt. Die overnames zijn voor beide auto’s beter gebleken.
 
De Mazda is een klein druktemakertje, een handenbindertje; de Rolls-Royce is een plaats van contemplatie en heiligheid waarin je rustig afwacht tot de bestemming is bereikt. Maar afgezien van al die verschillen is een vergelijkende test op zijn plaats. Van alle uitrustingen die een auto kan hebben, is het feit dat het dak naar beneden kan dusdanig in het oog springend en karakteristiek dat al het andere – de handelbaarheid, de rijeigenschappen, het geluidsniveau, de grootte van de kofferbak, de kwaliteit van de stereo, de prestaties – min of meer irrelevant worden. De meeste cabrio-eigenaars die ik ken (inclusief mezelf) wilden een cabriolet. Wat voor soort, merk of type cabrio, dat kwam pas op de tweede plaats. Een cabrio is een keuze, de rest is bijzaak.
 
De eerste cabriolet waarin ik ooit reed, was een Triumph Spitfire, en zelfs die kon me niet van mijn liefde voor cabrio’s afbrengen. De moeder van een vriend van me had er een, en soms mochten wij ermee op pad.

‘De Phantom is eens te meer een getuigenis dat BMW echt precies snapt waar het bij Royce-Rolls om draait’

 
Ik was absoluut en volstrekt enthousiast over het principe, en gek van het idee dat je tegelijkertijd in een auto zit als buiten bent. Ik wilde net gaan opschrijven dat ik dat nog steeds ben, maar dat zou een leugentje zijn. Zoals je op de foto’s kunt zien, regende het nogal hard toen ik met de Rolls in het verkeer van Londen dook.
 
Dat brengt ons bij de vraag – de werkelijk zeer moeilijke vraag – waarom Britten zo dol zijn op cabrio’s. We kopen er meer van dan de Fransen en de Spanjaarden samen. Als de zon altijd schijnt, zoals in Californië of in Nice, is er niks bijzonders aan om de kap van je auto te kunnen halen. In feite is het daar doorgaans veel te warm voor, en verbrand je levend. Maar in Groot-Brittannië is elke mogelijkheid om het dak te laten zakken een moment van glorie en triomf, een overwinning op de weergoden, en dat maakt dat de cabrio de Britten zo goed smaakt. We zijn ook nogal dol op terrasjes, vooral in het vroege voorjaar, en daar zie ik een parallel.
 
Terug naar de Phantom: met het dak omhoog maakt de regen een plezierig, tentachtig geluid op de prachtig gemaakte, veellaagse kap, en dat geluid wordt niet in het minst verstoord door het rubberen gezwiep van de ruitenwissers, en wel omdat dit de eerste auto is waarin ik ooit heb gereden waarvan de ruitenwissers geen enkel geluid voortbrengen. Dit is overduidelijk het werk van een autobouwer die weet hoe hij cabriolet rijden ook in de regen tot een pretje maakt, en eens te meer een getuigenis dat BMW echt precies snapt waar het bij Royce-Rolls om draait. Ik moet de Beiers ook nageven dat ze de Phantom op rechte einden weten te laten presteren als een superauto, terwijl ie nog genoeg aristocratische vaagheid heeft behouden om de bestuurder ervan te weerhouden om zich anders dan als een ware heer in het verkeer te gedragen.
 
Sterker nog: toen ik een aantal armoedzaaiers bij een zebrapad voorrang verleende, was het duidelijk dat ze me haatten. Kort komt de zon door de grijze sluiers van de regenwolken gepiept. Ik stop direct en doe de kap van de Rolls-Royce omlaag. Je heet Drophead of geen Drophead.
 
Normaliter betekent open rijden dat je de geuren van de wereld om je heen meteen begint waar te nemen – koffie die gezet wordt, bier dat getapt wordt, bloemen die zich openen, schijtende paarden – omdat die geuren door de rijwind je neusgaten binnen worden geblazen. In de Rolls gaat het andersom: je krijgt het idee dat je het overweldigende aroma van de 1.001 koeienhuiden de atmosfeer in slingert, zodat voorbijgangers zich verbaasd afvragen waar de wei is.
 
Ongelukkigerwijs zet ik in een klein dorp vervolgens de nieuwe TopGear-cd op, en dat verpest het aristocratische effect nogal. Ik weet niet wie verantwoordelijk is geweest voor die compilatie van automuziek, maar ik zou de gelegenheid te baat willen nemen om hier officieel te stellen dat ik er niets, helemaal niets mee te maken heb gehad. Met dank.
 
Met het dak naar beneden, is de Phantom echt een pretje, pret die alleen een beetje wordt getemperd door mijn eeuwige angst in een cabrio dat iemand op me zou spugen. Het is alsof je in een niet-voltooide kathedraal rijdt, met die schitterende, eeuwig strekkende motorkap voor je uit, een kap die pas stopt heel in de verte, daar waar je een heiligenbeeldje meent te zien staan. Mijn enige klacht is dat een perfecte rit nu en dan even wordt verstoord doordat ie niet zompig en absorberend genoeg is als je over kleine oneffenheden op de weg rijdt. Ik bezit een Corniche, de verre voorouder van deze auto, en ik kan me niet heugen dat ik ooit maar enigszins heb kunnen voelen op wat voor soort ondergrond ik met die auto reed. Je voelt sponzigheid, precies op de goede manier.

‘De versnellingsbak van de MX-5 werkt bepaald niet slechter dan die in mijn Ferrari. Wat een ploerten, die Japanners’

 
Ik stap in de Mazda (en inmiddels regent het weer) en die rook echt precies zoals de Mazda cabrio die ik ooit had – de tweede serie, uit de late jaren negentig. Die had een stoffen dak, deze heeft een ingenieus metalen origami-achtig dak dat zichzelf op een of andere manier samenperst en dan in de kofferbak verdwijnt. Dat zorgt ervoor dat de MX-5 met z’n dak omhoog aanvoelt als een echte auto; alleen is het aangename getokkel van de druppels in de Rolls nu vervangen door een luid getik dat klinkt alsof iemand een blik gedroogde erwten naast je oor heen en weer schudt.
 
En goeie help, wat is ie klein. Ik kon het bijrijdersportier aanraken zonder moeite te hoeven doen. Het autootje is niet alleen klein, hij gedraagt en rijdt ook alsof ie klein is. Daar houd ik van. Ik weet dat mijn twee televisiecollega’s me erom bespotten als ik dit ga opschrijven, maar ik doe het toch: de MX-5 is een auto die lacht als je ‘m rijdt. Hij houdt er echt van om gereden te worden, op een manier waarop je husky-honden voor een slee ziet uitrennen in documentaires over de Noordpool.
 
Maar wat heb ik hier te pakken? Niemand zal in 1989 hebben verwacht – toen de eerste piepkleine roadster uit Japan kwam die was gebaseerd op de piepkleine Britse roadsters – dat die ooit met een automaat zou worden uitgevoerd. Maar wis en waarachtig, ik zie hier wel degelijk een ‘D’ naar me staren, van heel dichtbij nog wel.
 
Als je de automaat met rust laat, werkt ie best redelijk, maar niet echt briljant. De motor lijkt net een beetje te happig en te wild voor een automaat, waardoor de bak soms even twijfelt en onverwacht besluit de zaken in een lagere versnelling voort te zetten.
 
Dus druk ik de pook naar links en ga met de flippers aan de slag. Dat blijkt ook niet echt eenvoudig, al ligt dat gedeeltelijk aan mij – ik heb een auto met flippers waarin de linkerflipper terugschakelt en de rechter opschakelt. In de Mazda schakelen beide flippers alleen maar op, terwijl je moet terugschakelen met een paar knoppen op de spaken van het stuur, onder je duimen. Ik herinner me dat een BMW eens zoiets had, of was het de PDK-bak van de Porsche 911? Mijn punt is dat er een standaard moet komen voor flippers, ze moeten op alle auto’s hetzelfde werken. Dat is de mensheid gelukt met de reguliere versnellingsbak, dus hoe moeilijk kan het zijn met flippers?
 
Nou is dit een ouderwetse halfautomaat, een bak met een mogelijkheid om zelf te schakelen als je daar zin in hebt – dit is geen geavanceerd, nieuw apparaat met een dubbele koppeling. Dus zul je begrijpen dat dit systeem niet zo soepel werkt als dat in de nieuwste, dure Audi’s, maar wat wel pijnlijk is, is dat ie bepaald niet slechter werkt dan de bak in mijn Ferrari. Wat een ploerten, die Japanners.
 
Na een paar keer op komische wijze te hebben opgeschakeld met mijn linkerhand toen ik een bocht in wilde duiken, krijg ik het allemaal alsnog onder controle. Het werkt briljant. Als de zon zich even laat zien, wordt de open MX-5 precies de lollige cabrio die je in een land als Engeland wilt hebben. Ik hang kwijlend van plezier achter de kont van de Phantom, maar als we Bognor naderen, klim ik toch maar terug in de Rolls. Mensen zouden me eens kunnen zien.
 
Een gedeelte van mijn hersens weigert te geloven dat een badplaats als Bognor nog bestaat. In tijden dat vliegen met Easyjet en Ryanair zowat gratis is, neem ik mijn petje af voor mensen aan de Britse kust die zich staande weten te houden met de geringe inkomsten die het Britse weer hen toestaat te verdienen. Echte Italiaanse ijsboeren zijn er in Bognor helaas niet (die wonen namelijk in Italië), dus kocht ik een Cornetto.
 
Dat ijsje was de reis niet waard geweest, als ik eerlijk ben, maar wellicht zal het je wel interesseren in welke auto ik naar huis verkies te rijden. De Mazda. Dit is, vind ik, het roadster-equivalent van de Volkswagen Golf. Wat ik wil zeggen: het is de enige auto in zijn klasse die de wereld echt nodig heeft.
 
Dit is een geweldig leuke, kleine auto met een opvouwdak. Dat dak is echt een bonus, een extraatje omdat het naar beneden kan, maar waar je totaal geen last van hebt wanneer je dicht wilt rijden. Dit is mijn favoriete cabrio, als we de Lamborghini Gallardo Spider even buiten beschouwing laten. Zie je? Het was echt nog niet zo idioot om deze twee auto’s met elkaar te vergelijken.

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken