McLaren P1 vs Caterham Seven 160

Tijdens Speed Week 2014 trad een gevarieerd gezelschap aan. Toen de McLaren P1 en de Caterham iets te vroeg arriveerden, gingen we ermee naar Barcelona om te kijken hoe gevarieerd precies.

Veel verstandige mensen zullen je uitleggen dat lucht de grootste vijand van sportieve auto’s is. Of was het nou de grootste vriend? Je motor hapt namelijk graag naar lucht, het is handig om ‘m af te koelen en als je een spoiler gebruikt, dan drukt hij je stevig op het wegdek. Maar anderzijds, je moet die lucht ook weg zien te duwen. En ik heb maar 80 pk tot mijn beschikking om dat voor elkaar te krijgen. Dat is niet genoeg. De lucht komt van alle kanten op me af, als een ruwe, onzichtbare aanslag. Mijn rechteroog zit dicht en ik ben doof aan mijn rechteroor. Mijn haar? Dat is het enige waarover ik me geen zorgen hoef te maken. Want dat heb ik niet. Lucht is ook dik: bij 100 km/u is lucht net zo dik als soep. Bij 130 km/u heb ik het gevoel dat ik in een pudding zit. Ik steek een arm naar buiten in de rijwind, laat die in de luchtstroom wiebelen, maar realiseer me vervolgens dat ik niet echt optimaal gebruikmaak van de lucht.

Voor me zie ik de McLaren P1 door diezelfde rijwind snijden, een bijl gevolgd door een baksteen. Dat is nog eens een auto die zo is ontworpen dat hij optimaal gebruik maakt van lucht. Die de lucht afbuigt, in de juiste banen leidt en weerstand wegneemt, en die er niet nodeloos tegenin zit te beuken. Hij maakt gebruik van rijwind om tot wel 600 kilo aan downforce te genereren. Op sommige circuits brengt hij in bochten meer dan 2 G teweeg.

Op dit moment – in het gezelschap van de door rijwind geteisterde Caterham Seven 160 – toert de P1 over de snelweg naar Barcelona, en ik bedenk dat de omgang met rijwind niet het enige verschil tussen beide auto’s is. Sterker nog, ze laten anno 2014 juist zien hoe breed en gevarieerd het aanbod van sportieve auto’s is. De komende dagen zullen we ook nog met hatchbacks, coupés en zelfs – ahum – met een stationcar aantreden. Maar deze twee Britse tweezitters zijn elkaars tegenpolen: de meest en minst geavanceerde, de meest en minst krachtige, de duurste en de goedkoopste. Voor de vorm: de McLaren heeft dik 11 keer meer vermogen, en voor de aanschafprijs van één P1 kun je een slordige vijftig Caterhams aanschaffen.

Waarom we hier rondrijden en niet over een circuit of door de verbluffende heuvels van Montserrat? Simpel: daar kun je de komende tijd nog voldoende over lezen, en vandaag worden er motorraces op het door ons verkozen circuit gereden.

Daarom hadden we in voorbereiding op  TopGears snelheidsfestijn, en met de beschikking over een Caterham en een McLaren om ons mee te vermaken, een geldig excuus om een beetje rond te rijden. Eerlijk gezegd hadden we bepaald geen excuus nodig om met de P1 te rijden. Maar dat snap jij ook.

‘Barcelona is cool,’ zo leek ons, ‘en Parc de Montjuïc was, hoog boven de stad gelegen, in het verleden vaak het decor van F1-races. Tot 1975. En, trouwens, de mensen zouden onze auto’s toch graag willen zien, nietwaar?’ Dat was naar onze mening voldoende motivatie. Bijkomend voordeel is dat je een indicatie krijgt van hoe breed de kwaliteiten van extreme auto’s zijn. ‘De beste rijdersauto op het circuit en op de openbare weg’, claimt McLaren over de P1. Ze hebben niks gezegd over poseren of flaneren, vreemd genoeg. Of over hoe de P1 reageert op verkeersdrempels. Toch hebben beide auto’s wel degelijk iets gemeen: van alle auto’s die we tijdens de Speed Week reden, zijn deze twee – op papier althans – met afstand het minst geschikt voor dagelijks gebruik.


Betekent dat dan dat dit eigenlijk onzorgvuldig en ongepast gebruik is van een auto die meer dan één miljoen euro (in Nederland 1.098.315, in België 1.084.550) kost? Wellicht, maar op dit moment zit ik in de Caterham, in de auto die we zelf hebben gebouwd, en kijk toe hoe de P1 zich subtiel in een bus probeert te boren als we ons een weg proberen te banen over de grote rotonde rond de Plaça d’Espanya. Die heeft zeven rijstroken, ontelbare afslagen, we hebben geen idee waar we heen moeten en we worden van alle kanten opgeslokt door opdringerige smartphones. De P1 lijkt te stikken. De Caterham is daarentegen in z’n element. Aangezien je vanaf kniehoogte geen deuren of enigerlei beschutting hebt, is het zicht rondom prima. Het kleine turbootje blaast vrolijk, heeft weinig moeite met het geringe gewicht en hij is klein. Erg klein.

Zo klein dat hij vrijwel onzichtbaar is, feitelijk. De Barcelonezen vergapen zich zodanig aan de P1 dat vrijwel niemand oog voor de roadster in gebroken wit heeft, en ik word overspoeld en onder de voet gelopen door het overige verkeer. Dat kan me niks schelen – de Caterham sluipt en kruipt als we onze route naar boven vinden, overal tussendoor naar het Parc de Montjuïc. Als de mensen ‘m opmerken, zijn ze er dol op. Ik ben aandoenlijk, lief en onschuldig, meer schoothondje dan racemonster. Maar dan trekt er naast de P1 een Aston Martin DBS op. Het meisje dat er in zit, is zelfs nog mooier dan de auto. Tijd om over te stappen.

De P1 wordt omgeven door een aura, en mensen en auto’s houden keurig afstand. Dat maakt mij minder zenuwachtig. Dat komt ook doordat ik elektrisch kan rondzoemen en daardoor de meute geen teken geef dat er iets opwindends staat te gebeuren. Het is best een luid, doordringend elektrisch gehuil, en je komt niet erg ver voordat de V8 weer brullend tot leven komt, maar je kunt er enorm veel genoegen aan beleven.

Is dat in lijn met datgene wat je van een racemonster verwacht? Dit zijn prestaties van een andere orde, niet zozeer sportief, maar bijna theatraal. Het theater van de deuren ontlokt telkens weer een ademloos ‘ooh’ bij omstanders, en domweg in de P1 zitten, is al een gebeurtenis op zich. Je kruipt naar binnen en nestelt je terwijl je baadt in het overvloedige licht dat van alle kanten door de ruiten binnendringt, je vergaapt je aan het schitterende stuur, je geniet van het uitzonderlijke zicht dat wordt geboden dankzij de lage zitpositie en de enorme buitenspiegels, en je zou wensen dat je de achterspoiler voortdurend in de stand ‘onverstandig’ kon laten staan. Dat kun je niet, want de racemodus is op de openbare weg niet toegestaan. Hij heeft een modus die illegaal is. Dat vind ik dan ook geweldig.

Het is een leuk dagje uit geweest, bedenk ik, wanneer we naar de heuvels rijden. Ik heb het gaspedaal van de P1 nog niet voor een kwart ingetrapt, noch heb ik de smalle bandjes van de Caterham laten piepen, en desondanks heb ik het reuze naar mijn zin gehad. Ik heb bewezen dat opwindende auto’s tot zoveel meer in staat zijn dan hoge snelheden. Ze worden niet zozeer getypeerd door hun cijfers (hoe hoog of laag die zijn), maar meer door hun karakter. Cijfers scheiden de P1 van de 160, karakter brengt ze weer bij elkaar. En dat karakter, daar draait het uiteindelijk toch vooral om.

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken