Rondje Engeland per Audi RS4

Als rechtgeaarde Anglofielen konden we niet geloven dat we voor mooie en lekkere wegen alleen maar in Zuid-Europa terecht konden. Dus gingen we op zoek naar de beste rijwegen van Engeland. Na 4.000 kilometer gezoek, selecteerden we de 400 mooiste autokilometers van Engeland.

Het is een afwijking in de geest van de mens: in een wereld die klein is geworden door lage prijzen voor verre reizen, zijn we blind geworden voor onze eigen achtertuin. Het vertrouwde wekt onze achterdocht op: het moet elders mooier zijn. Dat is niet verbazingwekkend. Met goede, gladde wegen die continenten met elkaar verbinden en goedkope, betrouwbare auto’s die tienduizenden kilometers kunnen afleggen zonder te exploderen, is onze actieradius enorm toegenomen, waardoor verre bestemmingen niet alleen goedkoop zijn, maar zelfs onze voorkeur genieten.

Maar het kan anders. Er zijn wegen in het Verenigd Koninkrijk die net zo fijn te berijden zijn als welke weg waar dan ook; episch en makkelijk te bereiken. Om dat te bewijzen, heeft TopGear een rondje Engeland gereden en selecteerde de 400 meest interessante kilometers die ons onder de wielen kwamen.

We raceten niet, noch reden we gevaarlijk hard; we namen de minder begane wegen, gewoon om te zien wat zich aan het andere uiteinde ervan bevond. Het enige probleempje was dat we maar drie dagen de tijd kregen van de baas, en dat we een fiks eind af te leggen hadden.

Het zal je duidelijk zijn dat we deze tocht gedurende de winter maakten, en de weers- en rijomstandigheden dus onzeker waren. We hadden dus een verstandige en capabele auto nodig, met een beetje uithoudingsvermogen.

De 450 pk sterke, vierwielaangedreven Audi RS4 Avant is zo’n soort auto. We startten de motor om half vijf ’s ochtends in Stamford, Lincolnshire en gingen op weg om te zien wat Engeland te bieden heeft.


De vennen

Eigenaardige plaats, deze vennen. Lange, rechte wegen door onafzienbare velden vol onduidelijke wintergewassen. Veel, heel veel trucks. Het is donker en koud, en er ligt wat stuifsneeuw in de bermen.

Niet direct een plek om veel inspiratie van te krijgen. We rijden eerst over de A16 en dan door Louth, een gebied dat aaneengeregen wordt door achterafwegen die rechtstreeks lijken te zijn weggelopen van een testcircuit – zulke aflopende wegen naar de bermen toe dat de ene kant van de auto zich met moeite door zand en hobbels werkt terwijl de andere kant over glad asfalt glijdt. Als de ophanging niet perfect is, zal je dat op wegen als deze merken. We rijden wat harder op wat rechte einden, die onveranderlijk uitkomen op een bocht van 90 graden, en geven een deel van de 450 pk van de RS de vrije teugel.

De auto huivert. De RS4 in z’n Dynamic-modus is zo stijf als maar kan, bonkt op en neer, en geeft dat via de wielen rechtstreeks door aan de berijders. Diepe plassen staan in de gaten in de weg, zodat de RS4 hoge muren regenwater opgooit, over de heggen aan weerzijden in de bermen, en het is louter te danken aan de slimme quattro-techniek dat we geen bloemkoolveld in bonken. Het is een tamelijk angstige bedoening. En we zijn pas 100 kilometer onderweg.

We besluiten oppassend te rijden om geen schade op te lopen, rijden langs Grimsby, dan over de Humber-brug en stoppen daarna voor koffie. Bij het cafeetje begin ik te spelen met de instellingen van de RS4 via Audi’s adaptieve dempingssysteem. Dat blijkt van belang.


De venen van North Yorkshire

Als de vennen nog een beperkte invloed hadden op onze emoties, dan is het North York Moors National Park in vergelijking ineens een overdonderende ervaring. We namen de A1079 voorbij Beverley en de B1248 door Wetwang en Norton-on-Derwent, op onze weg naar Kirkbymoorside en vervolgens naar Hutton-le-Hole. Daar gingen we de Blakey Ridge op, op weg naar Castleton, waar we ineens kilometers lang puur rijgenot aantroffen.

De venen – ‘Moors’, in het Engels – zijn adembenemend. De vergezichten de valleien in doen je denken aan kleine cottages, grote haardvuren en het schrijven van slechte romans. De Blakey Ridge gaat heel ver omhoog, waar het deze dag behoorlijk zonnig blijkt te zijn; het is een vloeiende, lange weg, en voor het eerst kunnen we de RS4 eens flink op z’n donder geven. Nu we denken te begrijpen hoe het brein van deze auto werkt, heb ik de Individual-instellingen op de meest agressieve versnellingsmogelijkheid gezet, op het maximale motorvermogen en de meest ontvankelijke gaspedaalrespons, de zwaarste besturing en de meest comfortabele vering. Deze instellingen maken dat de RS4 iets meer grip op de weg en mijn ruggengraat uit mijn mondholte houdt.

Op deze slepende, stijgende en dalende, enigszins vettige wegen merk je dat de RS4 vastberaden is, en hij doet het onmogelijk geachte. Je hoeft niet eens hard te rijden om van ‘m te kunnen genieten – hoewel de RS4 graag op zoek gaat naar de rode toerenlijn, die bij 8.500 tpm begint – en met gemak de verandering in de grip aankan. We moeten wel oppassen voor de suïcidaal stomme schapen; ze zien er dan wel wollig uit, maar als je er een op je voorbumper geplakt hebt zitten, ga je niet meer zo hard van 0 naar 100.

Ik besef pas echt dat ik plezier heb wanneer de fotograaf luid begint te zuchten en zijn hoofd probeert te verstoppen in een familieverpakking M&M’s. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Wanneer we Castleton bereiken, zou ik wel door willen naar Blakey, maar we moeten nog ver, dus weifelen we niet en zetten we koers verder noordwaarts.


Northumberland National Park

Hallo en tot ziens Newcastle, de A1 op naar een plaats die Alnwick heet, daar net voorbij richting Wooler via de B6348. Dan terug via de A697 en van Rothbury naar Otterburn over de B6341, dwars door het zuidelijkste deel van het Northumberland National Park. Epische toestanden hier, met golvende heuvelpartijen die zo afkomstig lijken van een woeste oceaan, behalve dan dat de zee geen potholes heeft ter grootte van mansgaten. We draaien de B6320 op, en snijden zo de weg af naar het woud van Kielder, om daar de geesten van de rallylegendes te voelen tussen de pijnbomen.

Er is niemand op de weg, er is wel excellent asfalt en een schitterend schijnende zon. Rond Kielder Water vanuit Yarrow, zingt de motor van de RS4 blijmoedig tussen de bomen, terwijl we af en toe een houttruck passeren – waarvan de bestuurder duidelijk opkijkt van het gejank van de V8. Langzaam door Kielder en dan verder naar een gehuchtje met de vrolijke naam Deadwater. Daar rijden we helemaal per ongeluk een ander land in (Schotland) zodat we moeten omdraaien en op onze schreden terug moeten keren. De zon begint langzaam onder te gaan, en flarden nevel komen op. De RS4 zit inmiddels onder een laag vuil en zout, en we vinden dat ie er zo, gebruikt en vuil en wel, een stuk beter uitziet dan in een showroom. Maar dat maakt niets uit, we moeten door.


Van Hexham naar Penrith (A686)

Voorbij Kielder en richting Hexham om op de A686 te komen door het woud van Gilderdale, verder naar Penrith. Hier kun je al enorm veel plezier hebben door niet harder dan 50 km/u te rijden. Sterker nog: zo heb je het meeste plezier, want er ligt hier een onwaarschijnlijke hoeveelheid hobbels middenin bochten en daarna meteen weer een bocht, zodat het risico niet onbestaand is dat je je auto tegen een ongemetselde muur stalt.

En ongemetselde muurtjes zijn hier de tanden van het land. Ze bijten. De weggetjes zijn ook nauw, dus de foutmarge is gering. De RS4 geeft vertrouwen – er zijn weinig vierwielaangedreven auto’s die zo veel grip hebben en onderstuur zo makkelijk van zich afschudden – maar zelfs een Audi RS heeft het lastig als alle vier de wielen in een bocht per ongeluk los van de grond komen. We landen veilig en relatief zacht – de quattro springt meteen bij – waarna er een aantal seconden stilte valt. Dan spreekt de fotograaf de onvergetelijke woorden: ‘Als je dat nog eens flikt, geef ik je nooit meer een pepermuntje’.


Het Lake District

Penrith naar Keswick in het Lake District via de A66, dan naar de B5289 richting Seatoller via de buitenwijken van Derwentwater.

Het wordt donker, maar in het Lake District rijd je het liefst bij daglicht, wanneer je kunt genieten van de uitzichten op de glasheldere meren. En ook omdat de lanen en weggetjes in dit gebied nauw en niet vergevingsgezind zijn, onveranderlijk nat en schuil gaan onder bomen, wat betekent dat ze vol liggen met nat gebladerte. We rijden naar het dorp Seatoller. Hier moeten we ook voorzichtig zijn want daar ligt een kleine, steile brug – net voor het dorp, dat er zo onschuldig uitziet, maar het niet is. We arriveren bij de Honister Pas tegen zonsondergang. Niet de beste tijd van de dag om die getande achtbaan naar de top van Buttermere te slechten, dus besluiten we een uitgebreide fotosessie te houden en de Pas ‘s nachts te nemen. Dat is meer dan een beetje eng, want hij daalt en stijgt, is in essentie een eenbaans weggetje, en biedt geen uitwijkmogelijkheden anders dan stroompjes vol rotsen, eindeloos donkere meren en nog meer rotsen.

We draaien naar Cockermouth, en vandaar terug op de A66, waarna we koers zetten naar het zuiden, nog even langs Pennines waarna we het voor gezien houden en het Peak District inrijden.


Het Peak District

We worden wakker in Bakewell, ergens op het Chatsworth Estate, en we zijn licht in de war. De temperatuur hier is min vier, terwijl het verder naar het noorden gister nog boven de plus tien was geweest. Dus zijn we voorzichtig op de wegen die we uitkiezen in dit prachtige gebied. We bekijken de Peaks door de bevroren lucht en de winterwitheid brandt op onze netvliezen als diamanten in de zon.

Het is hier drukker dan het gister was, dat wel, en de kansen om te genieten van de rit zijn zodoende kleiner. Daarom maken we er maar het beste van en proberen van het landschap te genieten terwijl we voortsukkelen. Engeland, zo bekend als het mag lijken, is voor ons een constante bron van verrassing. En het is prachtig. We nemen allerlei leuke binnenweggetjes en rijden zo Wales binnen, na Shrewsbury. We krijgen het idee dat alle mooie wegen in Wales zijn verdwenen; het hele gebied is verpakt in de dikste mist die we ooit hebben gezien. Na een paar streepjes zon besluiten we om pas op de plaats te maken en verder te gaan.


De Malverns

We komen in Malvern aan, maar ook daar is het mistig. De mistbank maakt onze bestemming – de heuvels van Malvern – volstrekt onzichtbaar. Dat het al donker wordt om vier uur ’s middags helpt ook niet echt, en dat er in het stadscentrum alleen maar huizen staan in de Regency- en Victoriaanse stijl, zorgt ervoor dat we ons wanen in de tijd en geest van Jack the Ripper.

Dat betekent jammer genoeg ook dat een onderzoek naar de plaatselijke wegen zinloos is. En het bewijst maar weer eens dat je in Engeland veel goede zaken des levens kunt vinden, maar dat het weer niet per se in die categorie valt. Dit zou ons in Zuid-Spanje bepaald niet zijn overkomen.


Cheddar-kloof

Het is ochtend en we rijden over de B3135 in de ontzagwekkende Cheddar-kloof, een verzameling kalkstenen rotswanden die als een enorme bliksemflits door de Mendip-heuvels snijden. Om de een of andere reden zijn we hier allebei nog nooit eerder geweest, en het geluid van de V8 van de RS4 horen weergalmen tegen de rotsen is een hemels geluid – maar het is wel oppassen geblazen, want als je hier ’s ochtends de eerste automobilist bent, is de kans groot dat je stenen op de weg vindt. Dat is niet het enig mogelijke obstakel: ook de lokale schapen, die Soay heten, staan altijd klaar om de weg te blokkeren. Ook hier wil je niet al te hard rijden, en je begrijpt waarom de mensen uit de Victoriaanse tijd zo van dit gebied hielden, want het is in één woord schit-ter-rend. Sorry.


Exmoor

Na Cheddar is het tijd om westwaarts te gaan op de A39, bovenlangs door Devon en Exmoor. We zien het Kanaal van Bristol naar Wales, en de weg van Porlock naar Parracombe is de meest volmaakte en complete rijweg die je mag hopen in Engeland te vinden. En hij is lang. En – in elk geval op een normale werkdag midden in de winter – hij is uitgestorven.

Hij is ook nogal technisch en het is verbazingwekkend hard werken achter het stuur. Als je echt wilt weten hoe een auto zich gedraagt en ‘m onder de knie wilt krijgen, is dit de rit die je moet maken. Verder naar beneden nemen we de B3306 van St. Ives naar St. Just (er zijn veel heiligennamen in dit gebied), en merk je dat de wegen – weggetjes – in Cornwall nog een stuk nauwer zijn dan in de rest van Engeland, maar de vergezichten die ze leveren zorgen ervoor dat je geen enkele vorm van cynisme meer hebt. Ik leer de RS4 kennen. En ik leer dat hij je vriend is als de situatie netelig wordt. De fotograaf slaapt al 80 kilometer. Hoe hij dat heeft geflikt, zal ik wel nooit leren.


Land’s End en Dartmoor

Niet ver na St. Just, stopt Engeland: daar is geen land meer. Sennen Cove is mooi, heilzaam en totaal Cornish. Land’s End zelf heeft een vreselijke themapark-achtige karbonkel in een buitenwijk, wie weet waarom mag het zeggen. Maar wanneer de zon ondergaat, en we kijken naar de Scilly-eilanden, voelt het goed dat we zo ver zijn gekomen, en zo veel hebben gezien.

Toch hebben we meer te doen – dus rijden we terug door het stadje, rijden voorbij Penzance, St. Austell en Liskeard, en dan naar Tavistock, waar we de B3357 opgaan en door Dartmoor heenrijden. Dat was waarschijnlijk geen goede beslissing. Het regent hard, en de plaatselijke pony’s hebben zich verzameld op de weg en zien er chagrijnig uit. Dan rijden we een volgende mistbank in, een mistbank waarin het regent. Je krijgt het idee dat dit goede wegen zijn, maar de omstandigheden dicteren de snelheid, en er valt bitter weinig te zien.


New Forest

’s Ochtends rijden we door Marlborough, en we nemen de wegen rondom de Vale of White Horse bij Wantage, in de buurt van Uffington. Goede, hoewel wat oneffen wegen, flinke heuvels en grote hoogteverschillen: dit is archetypisch Brits platteland. Dan gaan we zuidwaarts voorbij Salisbury en de daarnaar genoemde vlakten eromheen, naar een plaats die Mockbeggar heet, waar we een klein weggetje het New Forest in nemen. Ook deze buurt is een openbaring.

De weg is maar anderhalve auto breed, maar het woud is prachtig, en de wijde, open vlaktes erboven zijn, als je niet van deze streken komt, opzienbarend. Er rijden veel tractoren rond, dat wel, dus pas een beetje op met blinde bochten.

Vanuit het New Forest rijden we naar de zuidkust en dan een beetje naar boven, om de A285 van Goodwood naar Petworth te nemen. Daar is het wat drukker dan we echt nodig vinden, maar het is wel een hele echte Engelse plattelandsweg. Zo echt dat ik hem wel twee keer zou willen rijden, maar we hebben nog veel kilometers af te leggen, en weinig resterende tijd. Zo wordt het wat vermoeiend, vermoeiender althans dan we echt nodig vinden. Het verkeer in het zuiden is ook drukker dan het in het noorden was. Ons wacht nog een aantal verrassingen, nadat we de typische Britse snelweg, de M25, zijn gepasseerd, tenminste. Want die is niet verrassend – er staat zoals altijd een file.


Kent en Essex

Zuidwaarts over de M20 naar Ashford en dan richting Lydd bij het Romney Marsh. Dit mag vreemd klinken voor een reis als deze, maar een kerncentrale – Dungeness B om precies te zijn – hoort er ook bij, en is niet het einde van de wereld. We zien daarna namelijk de vuurtorens en een kiezelstrand en houten strandhuisjes, dus na de kerncentrale komt de romantiek. Het voelt hier in het zuiden vreemd, en eenzaam, en ver weg van alles. Op een eigenaardige manier is dit een heel speciale plek om te bezoeken, en zeker wanneer je je realiseert dat die gekke houten cabines naast het kiezelstrand in werkelijkheid zijn uitgerust met driedubbele beglazing, de duurste meubels en de platste televisies: de huizenprijzen zijn hier al lang geleden door het plafond gegaan.

Dat lijkt ironisch voor een gehuchtje in de schaduw van een kerncentrale, hoewel de lokale vis- en schelpdieren van zeldzame kwaliteit moeten zijn. De RS4 valt er desalniettemin op. Ik maak een dom grapje dat we in de vorm van een V8 onze eigen energiecentrale bij ons hebben, en de fotograaf kijkt me meelijwekkend aan. Ik denk dat hij gewoon moe is.

Meer M25 volgt, en de Dartford Crossing is opvallend indrukwekkend op zijn eigen manier: een glinsterende boog over de rivier. Ik voel me een toerist, ik bekijk alles met de ogen van een buitenstaander. We rijden Essex binnen, om Ongar heen – de zon is ondergegaan, er ligt sneeuw op de velden. We vinden een aantal briljante wegen in Essex, maar ik weet niet waar we zijn, we raken de weg kwijt, en we zetten het navigatiesysteem aan. Het is nogal laat, we zijn moe, en we rijden voorbij Colchester, dwars door het land naar Cambridge en dan hebben we er genoeg van en vinden de A14 naar huis. Daarmee is de cirkel van TopGears rondje Engeland helemaal rond.


Epiloog: nu jij

Op een dag, in een uiterst ongezonde, Ierse pub, zei een oude man met een gezicht als een oud leren fietszadel, terwijl hij me bij mijn arm greep en met zijn waterige blauwe ogen in de mijne keek: ‘Vergeet nooit om je heen te kijken, jongen. Vergeet nooit om te kijken naar de dingen om je heen’. De totale dronken ernst waarmee hij deze woorden uitsprak, gaven me de tijd om over zijn advies na te denken. Ik herinner me dat ik naar het behang zat te staren en naar de barvrouw van een zekere leeftijd met haar brede glimlach en haar diepe decolleté, en dat ik bedacht dat het orakel van Nag’s Head (zoals de pub heette) waarschijnlijk wel genoeg te drinken had gehad. Ik vond het een afgezaagde opmerking.

Maar de afgelopen dagen ben ik daar toch een beetje anders over gaan denken. Engeland is tenslotte onze achtertuin (of misschien is Nederland de voortuin van Engeland), en er bleek volop van alles te zien en te ontdekken. Het Engelse platteland is wellicht het mooiste van Europa, zo niet ter wereld. We bereden elk wegtype dat je maar kunt bedenken, alleen gehinderd door het weer. We zagen schapen en pony’s, en genoten van spectaculaire vergezichten (als het niet mistte).

Inderdaad, het is zoals de oude man in het café zei, en naar dat advies had ik eerder moeten luisteren. We moeten waarderen wat voor onze neus ligt. We moeten om ons heen kijken, en ervan genieten. Het ligt zo voor de hand dat je het bijna over het hoofd zou zien.

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken