Autotest: Suzuki Splash 1.2 Exclusive

De Suzuki Wagon R+ is niet meer: zijn vervanger heet Splash – een spetter vergeleken met z’n voorganger.
 
‘De Splash profiteert van de kennis die Suzuki met zijn diverse modellen in de loop der jaren heeft opgebouwd. De Splash kan mede daardoor niet simpelweg worden beschouwd als de opvolger van de Wagon R+’, zo is in het persbericht over Suzuki’s nieuweling te lezen. Wat Suzuki zegt, klopt niet helemaal. De Splash is – gelukkig – geen opvolger van de Wagon R+, maar slechts diens vervanger. In dit artikel vergelijken we de Splash lekker toch met z’n voorganger.
 
Om te beginnen is de Splash wat ontwerp betreft een hele vooruitgang vergeleken met de Wagon R+. Kijk zelf; de Splash heeft niet meer de simpele schoenendoosvorm die zo kenmerkend was voor de Wagon R+. Suzuki’s nieuwste oogt in ieder geval een stuk vlotter met z’n uitgeklopte wielkastjes op de hoeken, de gebogen daklijn en de geinige knik in de achterklep.
 
Ook van het interieur wordt je een stuk vrolijker, zeker als je kiest voor een Splash met het optionele twotone-interieur in een felle kleur. De vormgeving van het binnenste is verder vrij simpel, met hier en daar een speels stukje glimmend nepaluminium. Ook de ergonomie van het interieur, dat overigens barst van de opbergvakjes voor kunstgebitten en rollators, is wel in orde. Maar er zijn drie dingen die beter hadden gekund in de Suzuki. Zo zit je in de Splash hoog op de bok, als een koetsier op een postkoets. Dat zit ons niet lekker – net als het feit dat het stuur niet in diepte verstelbaar is. Ook onprettig is dat lange bestuurders in de Splash, maakt niet uit hoe je gaat zitten, altijd met hun rechterknie tegen de middenconsole schuren. Geloof ons; dat gaat op de lange duur irriteren.
 
De Splash is niet alleen wat betreft z’n ontwerp vooruitstrevender dan de Wagon R+, ook op het gebied van weggedrag heeft Suzuki een flinke stap vooruit gedaan. Zo staat de Splash op een ingekort chassis van de Swift. Dat is goed te merken tijdens het rijden. Natuurlijk, de Splash is door z’n hogere zwaartepunt niet zo dynamisch als zijn grotere broer, maar toch slaat de Splash geen modderfiguur in bochten. Hij helt en duikt wel wat meer dan een Swift, maar over het algemeen is de kleine Suzuki koersvast genoeg om nog een beetje genot te kunnen bieden tijdens een stukje rijden over, zeg een slingerende bergweg met lonkende afgronden. Dat was bij de Wagon R+ wel anders. Die ging al met z’n pootjes omhoog liggen bij het zien van een bocht of een stuk asfalt dat slechts het vermoeden van een curve had.
 
Voor de Splash is er keuze uit drie motoren: twee benzinemotoren met een inhoud van respectievelijk 1,0- en 1,2-liter en een 1,3-liter dieselmotor. Wij reden met de 1.2 en dat beviel prima. Al is het wel aanpoten met de 86-pk viercilinder. Je moet namelijk behoorlijk wat toeren maken om de motor op gang te houden – zeker in de heuvels rond Nice waar we voor het eerst met de auto reden. Misschien is het motortje voor het drukke Nederlandse stadsverkeer echt niet verkeerd. Misschien voldoet daarvoor zelfs de 1.0 met 65 pk – het leven gaat ten slotte voor veel mensen al snel genoeg.

 

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws
× Time 1.054 sec Init 0.001 sec, Execute 0.334 sec, Render 0.719 sec, Memory 32.32/32.37 MiB, DebugR, Autowereld 22 entries in 3.814 sec, Database[wordpress] 2 queries in 0.002 sec