Autotest: Subaru Forester 2.0D Comfort

Elke fabrikant in het gewone segment heeft wel een dieselmotor in z’n leveringsprogramma. Subaru nu ook – en ook in de Forester.
 
Ik hoef je niet uit te leggen dat Subaru een beetje een vreemd merk is. De ontwerptaal die Subaru kenmerkt, is eigenzinnig – vraag dat maar aan Jeremy Clarkson. Die vermoedde dat de nieuwste Impreza door het hondje van de Subaru-baas ontworpen is. Alle Su-baru’s – nou ja, behalve de Justy dan – hebben vierwielaandrijving, gewoon standaard. Ook motorisch houdt Subaru vast aan iets eigenzinnigs: het boxer-concept. Dit betekende dat Subaru alleen maar benzinemotoren kon leveren, maar dat is sinds kort veranderd.
 
Ook de Forester blinkt niet echt uit in een aansprekend, hip of gewaagd ontwerp. Het blijft een vierkantige blokkendoos die vooral geschikt lijkt voor de Engelse of Nederlandse markt. Of je legt er zojuist geschoten fazanten in en tuft over uitgestrekte weilanden en bospaden terug naar huis voor een diner – als je in Engeland woont, of je hangt er een caravan achter en trekt naar het midden van Frankrijk of niet-toeristische plekken in Spanje of Italië. Dat is als je Nederlander bent. En die hebben in de ogen van buitenlanders allemaal een caravan.
 
Om gelijk het stigma van caravanvolk te beteugelen, dat valt toch best mee? Als je Top Gear leest, heb je geen caravan? Toch? Mocht je er nu wel een hebben dan is een Forester zeker een prettige auto, maar Subaru’s diesel biedt naar onze smaak net even te weinig kracht. Met 147 pk en een koppel van 350 Nm is niets mis, alleen voelt hij niet zo sterk als je zou willen. Misschien zijn we wat verwend geraakt door de heerlijke 2,5- en 3,0-liter benzinemotoren zoals Subaru die levert in de Legacy en Outback.
 
De Forester op diesel rijdt bijzonder prettig als je hem niet op het scherp van de snede behandelt. Sturen gaat direct, licht zonder negatieve bijsmaak en is rond de middenstand net vaag genoeg om op snelwegen niet continu te moeten corrigeren om in het juiste spoor te blijven. De vering is duidelijk op comfort afgesteld, waardoor een matig of slecht wegdek nauwelijks voelbaar is. Dat is heel prettig op langere afstanden, maar het ontneemt de Forester wat van z’n scherpte. Hij wil best flink overhellen in snel genomen bochten, hoewel de permanente vierwielaandrijving ervoor zorgt dat je het heel bont moet maken, wil hij over z’n banden gaan schuiven.
 
De motor is zeker op toeren niet als diesel herkenbaar, het geluid klinkt zelfs best lekker. Snel is-ie zeker niet en op bergachtige wegen moet je flink schakelen om de vaart erin te houden, ondanks het koppel. Waarden die Subaru opgeeft voor de acceleratie van 80 naar 120 halen we niet echt. Jammer.
 
Toch zijn we goed te spreken over de combinatie van de Forester met een dieselmotor. In de eerste plaats is het uiterlijk van de Forester stukken aantrekkelijker dan dat van z’n voorganger en de boxer-diesel zorgt voor een laag zwaartepunt van de auto – ook een streepje voor op z’n concurrenten. Ook de co2-uitstoot van 167 gram per kilometer en een gemiddeld verbruik van 6,3 liter per 100 kilometer mag er zijn. Nu maar hopen dat het zakelijk segment de Forester weet te vinden.

 

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws