De achtergelaten auto’s van Fukushima

We gingen op zoek naar auto’s die na de kernramp van 2011 in Fukushima achterbleven. Een tocht om stil van te worden

Blijf stilstaan en sluit je ogen – dan ervaar je het. Het geploink van 8-bit geluids­effecten, de stemmen, het verkeer buiten en de vlaag sigarettenrook die als een donderwolk boven de ­hoofden van de gokkers hangt. Wanneer je vervolgens je ogen weer opent, bevind je je in een van de stilste ruimtes ter wereld. Een vergeelde kalender geeft de datum 11 maart 2011 aan. Overal op de grond liggen plastic mandjes en pachinkoballetjes, waardoor je je zorgvuldig een weg moet banen tussen het puin.

Overal is de vernietigende kracht tastbaar. Je proeft het aan de ­klamme, verstikkende lucht. Buiten de gokhal ligt een omgevallen kinderfietsje, inmiddels helemaal verroest en misschien nog in de precies dezelfde positie als zeven jaar geleden, toen de kleine eigenaar ervan alles uit zijn handen liet vallen en op de vlucht sloeg. Op de parkeerplaats staat een zilvergrijze Audi A4 Avant, zo op het oog nog volledig intact, die wordt overwoekerd door onkruid en zo langzaam weer ­wegzakt in de aarde waar hij uit voortkwam.

Dit begon als een nogal spontaan, weinig doordacht idee. We moesten sowieso in Tokio zijn, en waarom zouden we dan Honda niet ­vragen of we zo’n malle kei-car konden lenen om de drie uur durende tocht naar de kerncentrale van Fukushima Daiichi te maken? Er waren berichten en foto’s van dappere fotografen waarop je overal achter­gelaten auto’s ziet staan, en omdat Japanners zo’n bijzondere band met auto’s hebben, lag het voor de hand dat er na die exodus weleens heel interessant spul te vinden zou kunnen zijn.

Onze beweegredenen waren niet morbide of respectloos, maar ­kwamen voort uit nieuwsgierigheid. Precies zes jaar nadat een zee­beving van 9,0 op de schaal van Richter een reeks tsunami’s tot wel 39 meter hoog veroorzaakte die de noordoostkust van Japan geselden, een gebied van 217 vierkante kilometer overspoelden, 16.000 slacht­offers maakten en het koelsysteem van drie kernreactoren platlegden, met als gevolg een meltdown en de verspreiding van radioactiviteit, werd het er geldende gebiedsverbod door de regering opgeheven. Dat was in maart 2017.

Voormalige bewoners, behalve van plaatsen die vlak bij de reactoren liggen en waar het niveau van radioactieve straling nog te hoog wordt geacht, worden gestimuleerd om terug te keren naar hun huizen. Er is 175 miljoen euro gereserveerd om de gezondheidszorg en andere basisfaciliteiten weer op te starten. Hoewel de tegemoetkoming in woonkosten voor geëvacueerden, bijna 750 euro per maand, werd afgeschaft, is maar 15 procent ingegaan op het aanbod van de regering. Volgens wetenschappers mag het er dan veilig zijn, maar zou jij je ­kinderen er weer naar school laten gaan? Zou jij het water drinken?

Onze eerste tussenstop is de gokhal van Tomioka, en die bepaalt onmiddellijk onze stemming. Dit voelt niet aan als een ontdekkingsreis naar plekken waar slechts weinigen ons voorgingen; dit voelt alsof je echt in de levens van mensen aan het wroeten bent. Een achtergelaten Audi is geen vondst die je ­triomfantelijk mee naar huis zou willen nemen; het was ooit het gekoesterde eigendom van iemand die het achterliet omdat hij zijn leven belangrijker vond dan bezit.

Wat ons op onze auto brengt. De Honda N Box Slash Mugen is op en top Japan: een doosje op wielen, opgetuigd met dubieuze aerodynamische toevoegingen, 16-inch spaakwielen, een sportonderstel, een dubbele uitlaat en stickers die om onduidelijke reden verwijzen naar ‘Muscle American Style’. En voordat je die vraag stelt: onder de motorkap tref je niets aan wat ook maar in de verste verte met gespierdheid te maken heeft, maar wel een 660-cc driecilindermotor met 57 hele pk’s.

Toen we eerder Tokio verlieten, kreeg hij behoorlijk wat bekijks – waarschijnlijk meer hoongelach dan ­opgestoken duimen, maar nog altijd: bekijks. Hier in deze beklemmende atmosfeer is hij een nogal ongepaste verschijning. Of liever gezegd, dat zou hij zijn geweest als er mensen in de buurt waren om hem te zien.

We blijven op de nationale Route 6, de kustweg die dwars door het niet-toeganke­lijke gebied voert. Behalve de enorme geigertellers die langs de weg staan, zien we af en toe een bord dat waarschuwt voor radioactieve wilde zwijnen (een ernstig probleem – de verlaten dorpen werden erdoor overspoeld, tot plaatselijke jagers werden opgetrommeld om de aantallen terug te brengen), en afgesloten en bewaakte wegen die naar het centrale deel van het rampgebied voeren. De verkeersintensiteit is hier normaal. Als je afslaat naar de plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn, zoals Tomioka en Namie, wordt het duidelijk dat de regering weliswaar graag wil inves­teren in herpopulatie, maar de bevolking zelf daar weinig trek in lijkt te hebben.

We rijden over de hoofdstraat van Namie en zien alleen maar ingestorte gebouwen en dichtgetimmerde winkels. Heel af en toe rijdt er een auto langs; het grootste deel van de tijd zijn we moederziel alleen. Doorgaans zijn we tijdens onze reizen wel in voor een geintje, maar nu zeggen we geen stom woord tegen elkaar. Overal waar we kijken, zien we indringende beelden: een eenzame achtergelaten fiets op het station, aanplakbiljetten voor een verkiezing van lang geleden en snackautomaten die sinds de ­aarde schudde en de vloedgolf kwam niet meer werden gebruikt of geleegd.

In Tomioka komen we langs een verlaten school; de treurigheid van alles raakt ons als een klap met een voorhamer. En dan niet zozeer het vervallen gebouw, maar het feit dat er geen kind te bekennen is… de volledige afwezigheid van menselijk leven. Net buiten Tomioka zien we een veld met zwarte zakken tot zover het oog reikt. Ze zijn gevuld met de bovenste laag aarde die werd weggehaald, een klus waar de ­overheid jaren mee bezig is geweest om ooit landbouw weer mogelijk te maken.

Af en toe rijdt er hier een auto, maar pas als we terug zijn op de drukke Route 6 zien we iets dat het vermelden waard is. Onze eerste ontdekking is een handelaar in tweedehands auto’s wiens aanbod griezelig precies staat uitgestald – alleen is het kantoorgedeelte al heel lang verlaten. Onze blik valt op een Jaguar XJ met 20-inch wielen en een beeldje op de motorkap dat voetgangers meedogenloos zou spiezen, een oude Cadillac en een schitterende boeddhistische lijkwagen die ooit een Lincoln Town Car was. Om de volgende hoek wacht ons een Mercedes S-klasse die door zijn luchtvering is gezakt en zachtjes op zijn buik rust.

Een eindje verder is er weer een stuk grond vol auto’s die door hoog gras aan het oog worden onttrokken. Daarom besluiten we om het allemaal van dichtbij te gaan bekijken. Ook hier een lijkwagen en nog meer Amerikaans plaatwerk, dit keer een verlengde limousine, een oranje Chevrolet Impala SS waarvan het portier een stukje open staat – we kunnen de verleiding niet weerstaan en gaan er even in zitten – en… een waterscooter. Ooit, lang geleden, behoorde dit allemaal trotse bezitters toe, nu zijn het een soort museumstukken. Wie weet, misschien komt iemand ze op een dag opeisen, maar het kan ook zijn dat ze hier over honderd jaar nog staan.

Op weg naar het zuiden, richting Tokio, krijgen we een donkergroene Mini in het vizier die wel heel ver van huis is. Hij staat achter een hek en wordt omringd door dicht struikgewas. Bij nadere inspectie blijkt ook dit een flink terrein dat vol staat met onopvallende Japanse hatches en beige sedans. En dan spotten we opeens iets wits tussen de klimop. We worstelen ons door de begroeiing heen en ontdekken een hagelwitte Nissan R32 GT-R V-Spec II. Het is niet de meest waardevolle GT-R, maar er staat hier nog altijd voor zo’n 35.000 euro weg te roesten. Ernaast prijkt, voor de liefhebbers van bizarre Japanse autonamen, een Mazda Bongo Friendee.

Nissan Skyline R32 GT-R V-Spec II verlaten in Fukushima

Na dit hoogtepunt beschouwen we ons werk hier als gedaan en besluiten we te vertrekken. Niet met het gevoel bevestiging te hebben gekregen dat Japanners een superieure smaak hebben als het om auto’s gaat, maar diep getroffen vanwege het leed dat deze enorme natuurramp heeft aangericht.

Voor wie zich afvraagt of alles wat we deden wel even veilig was, of we geen beschermende kleding hadden moeten dragen of een maand in quarantaine hadden moeten blijven, hebben we wat cijfers. Met een tamelijk primitieve geigerteller op onze smartphone deden we onderweg verschillende metingen. Bij de school in Tomioka lazen we 0,38 μSv/u af (microsieverts per uur, waarbij sievert de eenheid van blootstelling aan straling is), een goede indicatie van de gemiddelde dosis die we kregen. Ter vergelijking, een inwoner van Tokio staat bloot aan 0,04 μSv/u.

We verbleven vijf uur in het gebied rond Fukushima, dus we kregen een totale dosis van (0,38 x 5 =) 1,9 μSv. Als we er een jaar zouden blijven, zouden we blootstaan aan een totaal van (0,38 x 24 x 365 =) 3.329 μSv. Ben je er nog? Mooi. Ter vergelijking: als je van New York naar Los Angeles vliegt, onderga je een eenmalige dosis van 40 μSv, een mammografie staat gelijk aan 3.000 μSv, de maximaal toegestane dosis per jaar voor een medewerker van een kerncentrale is 50.000 μSv, en pas als je 100.000 μSv in een jaar ontvangt, wordt er gesproken van een verhoogde kans op kanker. Dus je ziet, op papier was het veilig. De overheid probeert niemand te misleiden, maar nuchtere cijfers zijn iets anders dan een gerust gevoel.

Als we iets hebben geleerd van deze onderneming, dan is het wel dat we onze gebouwen nog zo robuust kunnen maken en nog zo veel veiligheid kunnen inbouwen, we blijven overgeleverd aan de grillen van Moeder Natuur. Zoals de schrijver Jack London opmerkte toen hij na de grote aardbeving in 1906 door San Francisco liep: ‘De straten waren op het ene punt omhoog gekomen en op het andere ingezakt, en ze lagen vol puin van ingestorte muren. De stalen rails waren verbogen in allerlei vormen en hoeken. De telefoon- en telegraafverbindingen waren ver­broken. En de hoofdwaterleidingen waren gebarsten. Al het vernuftige werk van de mens, alle veilige constructies die hij had bedacht, werden overhoop gegooid in de 30 seconden dat de aarde schudde.’

Reacties

  1. snuifbuis zegt op 12 januari 2021 om 00:40:

    snuif me toch al heel de dag de tyfus beetje radiatie boeit me niks

  2. Brian Hofelmann zegt op 6 januari 2020 om 09:20:

    Kun je deze auto’s kopen

    • Jos zegt op 12 januari 2020 om 00:03:

      Als je wil doodgaan door teveel radiatie te krijgen denk ik zelfs dat je ze gratis mag meenemen

  3. René de Vreugd zegt op 5 januari 2020 om 23:42:

    Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat er veel tekeningen tussen zitten.

    • Johan zegt op 7 januari 2020 om 11:35:

      Geen tekeningen maar HDR fotografie.

      • Hdr zegt op 9 januari 2020 om 21:31:

        Nee, zeker geen hdr, maar normale foto’s die met een overdreven hdr effect slecht bewerk zijn. Ziet er niet uit

  4. Patrick zegt op 5 januari 2020 om 18:43:

    Gave reportage en leuk verhaal.
    Bij het ongeluk zijn ook veel radioactief stofdeeltjes en fijnstof vrijgekomen en komt nog steeds vrij.
    Deze hot particeles komen in je lichaam terecht bijv. Longen en richten dna schaden wat tot kanker leidt.
    Das reden dat niemand terug wil of gaat.

Geef een antwoord

(verplicht)

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken