Autocultuur in Japan: bestaat het nog?

Naar het schijnt is de autocultuur in Japan ineens dood en begraven. Dus gaat TopGear naar Tokio, op zoek naar de waarheid

Autocultuur in Japan. Daar zijn we naar op zoek. Specifieker: een groep Lamborghini’s. We horen ze al voordat we ze zien. Dat is, gezien het feit dat ze bestrooid zijn met triljarden opgewonden led’jes, een hele prestatie. Aan het einde van een afrit bij Tokio’s Bayshore-weg staat een Lamborghini-clan te ronken die we online al hebben bewonderd. En nu wachten ze op ons, met stationair ronkende motoren.

De afvaardiging, misschien wel onderdeel van de nieuwe autocultuur in Japan, noemt zichzelf officieus ‘Car Guy’: het is een new-wave-beweging die zich zo ver mogelijk heeft verwijderd van de traditionele Japanse bosozoku-tuning-esthetiek van vroeger. Als een radicaal enthousiaste 21ste eeuwse tegenbeweging tunen ze hun supercars met louter en alleen het doel zo aantrekkelijk mogelijk op Instagram voor de dag te komen. De lampen op het standje acid rave, glimmende luipaardprint op de velgen, schaardeuren in de lucht: we staan naast een dikke, luide Lamborghini Aventador SV. Op de koolstof dorpel zit Car Guys ongelooflijk rijke en eerbiedwaardige leider, Takeshi Kimura.

Geen grote meetings

‘Grote georganiseerde meetings houden we bijna niet meer’, zegt hij. ‘Deze plek was ooit vergeven van geluid, licht en auto’s. Maar tegenwoordig grijpt de politie snel in.’ Dat is waarom TopGear hier is. We willen weten hoe het staat met de Japanse autocultuur. Tijdens de hoogtijdagen – toen de Spice Girls de Top 40 nog aanvoerden – was de Japanse autowereld voorzien van een gouden randje, maar in de afgelopen jaren is het stil geworden in het land van de rijzende zon. Is er nog wel autocultuur in Japan?

De parkeerplaats waar we ons bevinden – Yokohama’s Daikoku Parking Area (PA) – is altijd het kloppende hart geweest van de Japanse tuning-scene. Technisch gezien is het een benzinestation. Maar voor Japanse autogekken is het veel meer dan een plaats om je benen te strekken, te plassen en een zweterige, plakkerige yakisoba te kopen. Decennialang is dit een openlucht amfitheater voor de tuning-scene geweest. Voor ons gaijin – mensen uit het westen – bestaat de textuur van de Japanse autocultuur uit haarfijne draden die gesponnen zijn van mysterieuze complotten.

Obsessieve en expressieve relatie

Muziekje erbij, een paar knipperlichten aan, en hop: Japanse disco


Knuffelcafés, ganguro-meisjes en een spelletje genaamd kancho (dat verdacht veel lijkt op een spel dat onze jeugd domineerde) intrigeren. Maar westerlingen worden vaak nog het meest gegrepen door de obsessieve en expressieve relatie die Japanners met hun auto’s onderhouden. Vroeger kwamen op deze zelfde plaats honderden auto’s bij elkaar. De grond schudde hier – en nu eens niet van een aardbeving – van de bassen die uit speakers in discobusjes dreunden. Je hoorde gegil en gekrijs – niet van opgewonden tieners, maar van opgeschoten mannen die driftend rondjes maakten. Tegelijkertijd, net als nu, waren er de vrachtwagenchauffeurs die in hun cabines probeerden een paar uur slaap te pakken.

De verzameling hanige Lamborghini’s, een McLaren 675 LT en een race-achtige Ferrari 360 is een heel bescheiden bijeenkomst. Evenzogoed komen er wat jongeren uit het benzinestation hollen om een kijkje te nemen. Voor meneer Kimura draait het daar eigenlijk om. De reden dat hij, als succesvol projectontwikkelaar, begon met Car Guy was om zijn liefde voor supercars uit te dragen. Door middel van zijn sociale-mediakanalen pronkt hij met zijn Ferrari’s F40, F50 en Enzo, met zijn McLaren P1, met zijn Porsche 991 GT3 RS, met zijn Ferrari 458 Speciale en met een Lamborghini Huracán Super Trofeo door er onconventionele capriolen mee uit te halen. Capriolen zoals de Enzo op spijkerbanden te zetten en er dan op ijs mee te gaan driften, allemaal voor zijn vrienden op Facebook.

Dat mag klinken als een wedstrijdje verplassen, maar de raadselachtige Kimura zegt dat zijn daden voortkomen uit zijn wens om Japanse jongeren weer verlekkerd naar auto’s te laten kijken. Daar heeft hij een punt. Politieacties en steeds stringentere en restrictievere fuiken langs de wegen (maar denk ook aan superstrikte, tweejaarlijkse apk’s), hebben Japan ontdaan van een volgende generatie autofans.

Liever computeren dan rijden

Kijk wat verder, en je ziet dat de Japanners tussen de 20 en de 30 jaar momenteel slechts 13 procent van al ‘s lands rijbewijzen bezit. Een enorme neergang, want drie decennia geleden was dat percentage nog 26. Als je dat dan nog een combineert met astronomische parkeerkosten, en met de prijs om een rijbewijs te halen (minimaal 2.000 euro), dan begrijp je waarom jonge Japanners veel en vaak thuis achter hun computers zitten. Vaak in alle eenzaamheid. Nu hij een aantal jongelui heeft bekeerd, wil Kimura doorpakken. Hij start zijn pk-rijke pr-machine, en moedigt dan zijn jonge volgelingen aan hetzelfde te doen met hun Lamborghini’s – en hij zet zijn lampen in de discobal-modus. De autocultuur van Japan komt tot leven.

We verlaten Daikoku in een golf van gegrom van Sant’Agata’s V12’s en van lichtvervuiling, en zetten koers naar de Wangan rondom Groot-Tokio – ooit het thuis van de illustere Midnight Club. Gesticht in 1987 was de Midnight Club een even illegale als uit de hand gierende straatraceclub waarvan je alleen lid kon worden als je auto harder kon dan 250 km/u. Maar om echt een beetje mee te kunnen doen, had je een auto nodig die minstens 320 km/u haalde. Hoewel straatraces in en om Tokio niet meer bestaan, geldt dat niet voor de rest van Japan.

Kanjozoku

In Osaka, 500 kilometer verderop, bestaat een broederschap die bekendstaat als de Kanjozoku – een club van Honda-fielen die louter en alleen buigen voor het altaar van de VTEC. Het is een uiterst geheime – en dus volstrekt illegale – straatraceclub. Lid worden mag je alleen als je een racewaardige Honda Civic hebt. Ze rossen ’s nachts over de ringwegen rondom Osaka alsof ze de verkeerde afslag hebben genomen van de pit op Suzuka. Volstrekt gestript, oor-bloedingen veroorzakend lawaaierig en voorzien van slicks, regeren deze Civics over de viaducten en bruggen en opritten van de stad – laverend tussen de rijstroken, levensgevaarlijk voor andere automobilisten en ontsnappend aan de politie.

Dat maken wij niet mee. De Car Guy-crew tikt zelfs de snelheidslimiet amper aan. De enige ondeugendheid die we kunnen ontdekken is dat er soms iemand wat tussengas geeft in een van de tunnels, maar dat doen we af als een natuurlijke reactie van mensen die weten dat er een V12 achter hun hoofd aan het werk is. Zo rollen we bedaard naar onze volgende tussenstop: Tatsumi PA. Waar Daikoku zich bevindt in een luwe hoek van een kunstmatig eiland bij Yokohama, bevindt Tatsumi zich op vijfhoog boven de razende Wangan. Architectonisch bezien is het een verbluffend staaltje bouwkunst. Maar door de uitgestrekte woonbuurt Ariake erachter, badend in Japans altijd aanwezige neon, lijkt de realiteit te zijn gefotoshopt. Nachtelijk Madurodam is er niets bij.

Drukte in de nacht

Gezien het tijdstip – één uur ’s nachts – is het opvallend hoe druk het er nog is. En hoe goed iedereen zich gedraagt, want iedereen lijkt niet ouder dan een jaar of twaalf. Niks recalcitrantie, niks vernielzucht of andere baldadigheid, geen lege chipszakken of blikjes op de grond, en iedereen houdt zijn kleren aan. Er is alleen maar ontzag, en onverholen waardering.

Omdat de verslaggever is opgegroeid met Gran Turismo, wordt hij in het bijzonder aangetrokken door twee Nissan Skylines. Een man die meer een jochie lijkt, stilletjes en met ravenzwart haar, poetst een perfecte R34 Nismo. Hij heet Hiroki. ‘Het was mijn vaders auto’, zegt de 23-jarige verlegen. ‘Hij heeft ‘m aan mij gegeven omdat hij niet meer kan rijden. Ik offer nu mijn leven op voor deze auto, in naam van mijn vader.’ Het is zo’n eerbiedwaardig Japanse uitleg dat het hoofd van de verslaggever bijna implodeert.

Uit de mode

Iets verderop hangen twee bescheiden jongens rond bij een uniek-groene Mazda MX-5 en een Daihatsu Cappuccino. Als we hen benaderen met onze camera’s en notitieblokken, zetten ze hun leren kragen omhoog, jagen de vlam in sigaretten en transformeren in een mum van nerds tot de kwaaie Japanse broers van Danny Zuko. ‘Dit is mijn eerste auto’, zegt meneer Kumachi, de eigenaar van de Cappuccino terwijl hij nog een sigaret aansteekt. ‘Super GT-races hebben ervoor gezorgd dat ik geïnteresseerd raakte in auto’s, en gezien mijn leeftijd, is dit nu mijn droomauto.’

Familieding: veel jonge coureurs zijn tweede-generatie fans


De hele parkeerplaats zindert van enthousiasme. Meisjes en jongens – iedereen heeft het er naar de zin. We worden omringd door betaalbare en eenvoudig te tunen hits uit de hoogtijdagen van de JDM. ‘Het tunen van auto’s is een paar jaar geleden echt uit de mode geraakt’, zegt meneer Masara, een 22-jarige eigenaar van een 700-pk sterke Nissan GT-R. ‘Maar nu, na de recessie en na de ramp bij Fukushima, trekt het weer wat aan.’

Wel heerst er nog altijd een sociaal stigma rondom het tunen van auto’s in Japan; je wordt al snel een hashiriya (straatracer) genoemd. Maar in de ogen van de autogemeenschap, bestaan er eigenlijk geen slechte ideeën. Niets is te gek. Het draait allemaal om de vrijheid je te kunnen uiten – hoe maffer, hoe beter. Een van de factoren die daarin de afgelopen jaren een belangrijke rol heeft gespeeld, is het internet. De levendigheid en het bereik van internet hebben de autowereld aanzienlijk verkleind. Waar ooit alleen JDM en Amerikaanse tuning bestonden – en dan volledig los van elkaar – bestaan er nu allerhande hybride vormen. Een enkele Japanse havik vindt dat onverteerbaar. Neem nou het snoepje van de maand. In Japan is het helemaal hip om de Amerikaanse stijl te hanteren. In de VS daarentegen kunnen de mensen er dezer dagen geen genoeg van krijgen om hun auto’s op z’n Japans te tunen: woeste Porsches en uitgeklopte wielkasten van specialisten als Liberty Walk zijn er je-van-het. Sommige mensen mixen beide stijlen zelfs.

De autocultuur in Japan leeft

Op Tatsumi zien we het veel: ouders die hun liefde voor auto’s hebben overgebracht op hun kinderen. Het is aandoenlijk. Maar waar de ouderen alleen beïnvloed werden door JDM’s manga-strips zoals Wangan Midnight, Shakotan Boogie en Initial D, hebben hun kinderen toegang tot het hele World Wide Web, YouTube, en de beste auto-games. Dat zorgt als vanzelf voor nieuwe en alternatieve stijlfiguren, zoals we zien op nieuwe JDM-platforms. Toyota’s recente GT86, Mazda’s MX-5 en de Honda S660 zijn nieuwe, simpele en heel tunebare auto’s die een scene die op sterven na dood was helemaal lijken te hebben gerevitaliseerd.

Dus loopt de Japanse autocultuur echt op zijn laatste benen? Nee, niet in het minst. Werp één blik binnen op de Tokio Auto Salon – Japans voornaamste tuning-extravaganza – met z’n krankzinnig hoekige drifters, Lamborghini’s bekleed met roze diamanten en lijpe kei-cars en je weet dat deze cultuur bepaald niet aan het infuus ligt. De cultuur is alleen veranderd. Japanse tuning kwam aanvankelijk voort uit de frustratie van na de Tweede Wereldoorlog, maar nu zijn er andere actoren en factoren. We hebben het met eigen ogen gezien: er is vers vlees dat het erfgoed omarmt, en dat een sprong voorwaarts maakt zonder het verleden ook maar een moment te vergeten. De autocultuur van Japan is in leven. Waar dat heengaat of dat eindigt, dat weet niemand. We weten alleen dat we het toejuichen, en zeggen daarom: lekker gek blijven doen, Japanners.

Reacties

Geef een reactie

(verplicht)

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws