Sebastian Vettel en zijn bijbaantje

Vijf dagen voordat we elkaar ontmoeten, won Sebastian Vettel zijn vierde F1-wereld-kampioenschap. Vier keer – in successie. Zijn humeur, hoewel we vermoeden dat je dat al vermoedt, is goed. Hij hangt een beetje rond.

Maar niet zo lang dat hij zijn oh zo kostbare, contractueel vastgelegde sponsortijd vergooit, daar is hij te professioneel voor, maar net genoeg om de broze, gespannen sfeer wat te breken – de sfeer die vooral wordt bepaald door het gevolg van de kampioen. Hoewel iedereen weet dat er makkelijker om je grappen wordt gelachen als je een viervoudig wereldkampioen bent, is hij sowieso leuk en gezellig gezelschap, en op geen enkel moment arrogant.

Onder die relaxte stemming sluimert een gevoel van onbehagen. Hij is pas 26 jaar, en dat betekent dat hij zijn eerste grand prix’ racete tegen de helden uit z’n jeugd, helden die toen in de nadagen van hun loopbanen waren. Inmiddels is hij hen op vrijwel alle fronten voorbijgestreefd.

Dat paradox vreet aan hem: zijn logisch werkende brein beseft dat hij nu tot de allergrootsten in zijn vak kan worden gerekend, maar zo voelt hij zich niet. Een deel van Vettel voelt zich nog altijd een kind, een fortuinlijke nieuwkomer. Misschien wil hij dat blijven, om de verwachtingen niet te hoog op te schroeven. Schumacher won zeven kampioenschappen tegen de vier van Vettel, en hoewel niemand geld zou willen zetten op de bewering dat hij dat aantal niet zal overtreffen, vermijdt Vettel dat onderwerp liever door beleefd te beweren dat hij alleen ‘in het nu’ leeft. Dat onderwerp is sowieso niet echt geschikt voor interviews, want alle vragen die over racen gaan, zijn hem al een miljoen keer gesteld.

Dat geeft niets. We zijn hier niet om hem over zijn reguliere werk te ondervragen. We zijn hier om het te hebben over Infiniti, waarvoor hij bijbeunt in zijn vrije uurtjes.

Op zijn visitekaartje, als hij er een zou hebben althans, zou staan ‘Infiniti, directeur Performance’. Zijn verantwoordelijkheden komen erop neer dat hij Infiniti’s rijdt tijdens hun ontwikkeling en suggereert hoe ze beter zouden kunnen worden gemaakt voor de latere bestuurders en kopers. Dat riekt naar marketingpraatjes.

Coureurs sturen heel wat sms’jes, tweets en wat al niet de wereld in namens hun sponsors. Vettel zou nooit geloofwaardig kunnen beweren van welk merk schoenen, jeans of urinekleurig energiedrankje hij echt houdt, simpelweg omdat zijn shirt een billboard is voor de bedrijven die zijn sportieve ambities mogelijk maken. Dus is het zinloos om hem te vragen of hij vindt dat Infiniti’s eigenlijk wel de moeite van het rijden waard zijn. Afgezien daarvan is het fijnslijpen van een tamelijk luxueuze, compacte sedan toch echt heel wat anders dan het afstellen van een raceauto. En dat dan nog terzijde, want waar vindt hij eigenlijk de tijd om die auto’s op een meer dan symbolische manier te testen?

Hoewel deze dag voor Vettel een rustig dagje zou moeten zijn, bevinden zich er toch een stuk of zeven, acht cameraploegen in zijn voetsporen die alles wat hij doet vastleggen. Om daaraan te ontsnappen, springen we in de Q50 V6 voor het interview. Er zijn vijf videocamera’s aan het glas geplakt die ieder woord en iedere beweging van Vettel registreren.


Toch stappen er ook twee pr-managers in de auto – die van hemzelf en een van Infiniti – die zich op de achterbank installeren en die elk ook ons gesprek zullen opnemen. Dat is het leven als je Vettel bent. ‘Er zitten te veel mensen in de auto’, grinnikt hij. ‘De gewichtsverdeling gaat eraan. Zo, ik heb mijn smoesjes al paraat.’

Oké, maar waarom zou hij de Q50 moeten verdedigen? Hoeveel heeft hij er echt aan bijgedragen? ‘Je zult begrijpen dat ik niet honderden dagen heb besteed aan het ontwikkelen van deze auto, en ook niet aan het geven van wekenlange feedback. Maar ik reed ‘m in Japan, om ‘m te leren kennen, en toen waren er een paar dingen die ik niet goed vond. Dat vertelde ik de ingenieurs, en die waren daar niet blij mee. Maar ze veranderden die dingen later wel.’ Die veranderingen werden bevestigd door Infiniti Red Bull F1-reserverijder Sébastien Buemi.

Wat werd er dan veranderd? ‘Ik was niet blij met het rempedaal en het stuur. Dat soort dingen.’ Maar als een coureur van zijn kaliber dingen van een auto eist, wil dat waarschijnlijk niet zeggen dat normale mensen zoals wij die dingen ook zouden willen? ‘Als ik het over remmen of besturing heb, en daarmee heb ik in de Formule 1 ook elke dag te maken, dan heb ik het in feite over veiligheid. Die twee zaken geven je directe feedback, en ik dacht dat de manier waarop ze dat eerder in deze auto doorgaven, niet goed genoeg was om je echt veilig te voelen, en uiteindelijk gaat het daar allemaal om. Als je je zeker voelt, kun je hard gaan – zonder het te overdrijven – omdat je de controle hebt, waardoor je je veiliger voelt.’ Dus misschien kijkt hij toch naar de zaken die ook wij normale burgers willen. Misschien is de auto dus ook beter dan ie was.

"Ik heb een aangepaste, snelle auto voor in de weekeinden. Al het andere op de markt vind ik eerlijk gezegd nogal ruk"

Maar Vettels definitie van ‘zonder het te overdrijven’ is waarschijnlijk wel anders dan die van jou of van ons. Dat gevoel krijgen we althans wanneer we door hem in de Q50 worden rondgereden, al praat hij zo rustig verder alsof hij aan de bar hangt. Hij slaat bovendien geen lulkoek uit.

‘Dit is geen Porsche 911 of een Nissan GT-R. Dit is niet de ultieme rijmachine. Het is een normale auto. Maar als je lol wilt hebben, kun je de instellingen veranderen, en dan gebeurt er wel iets. Het is en blijft echter een beschaafde auto, hij gedraagt zich netjes.’

Binnen de limieten van het genre, dan: ‘Ik heb niet geprobeerd er een F1-auto van te maken. Ik wil niet dat deze auto wordt afgesteld op de manier die ik het liefst heb. Dan zou ie veel te nerveus zijn geworden. Wellicht was ie dan sneller op de baan, al moet je natuurlijk altijd wel wat onderstuur behouden – zoals we nu merken.’

De banden huilen onder ons door de marteling die ze ondergaan. ‘Het is moeilijker om in deze auto overstuur uit te lokken. Het differentieel is echt ingesteld voor onderstuur.’

We verwijderen ons nog verder van de Formule 1 als we praten over het volgende grote project van Infiniti, de Q30 – een voorwielaangedreven, dieselende hatch. ‘Hij is nog in een heel pril stadium, maar na Monaco hebben we ‘m al wel een beetje getest. Ik ben blij dat ik een steentje kan bijdragen.’


Het tijdspad is al evenmin dat van de F1. ‘Een auto voor op de openbare weg ontwikkelen, kost enorm veel tijd. In de Formule 1 hoef ik maar te vragen of er iets kan worden veranderd, en het gebeurt onmiddellijk, want anders word ik tweede. En op deze normale auto’s doen de techneuten niet alles wat ik wil. Dat heeft in de eerste plaats te maken met de kosten. Anders explodeert het budget. En ik zou het schitterend vinden om een racestoeltje in elke auto te hebben, maar dat zou het in- en uitstappen een nachtmerrie maken, dus dat soort dingen. Het gaat om het gemiddelde, niet alleen om mijn smaak – iedereen moet tevreden zijn.’

Dat gezegd zijnde, moet het toch een onmogelijke sprong zijn van Vettels enorme talent naar de hersens en mogelijkheden van normale bestuurders. Hoewel de meeste F1-coureurs niet van het rijden op de openbare weg houden, doet hij dat wel: ‘Ik rijd liever zelf dan dat ik in een trein of in een vliegtuig zit. Als het een goede auto is, geniet ik ervan. Ik houd me eerlijk gezegd niet altijd aan de maximumsnelheden, niet overal, maar ik rijd best wel relaxt. Ik rijd niet altijd en overal plankgas. Dus heb ik de mensen van Infiniti gezegd dat ze me moeten zien als een normale klant, als een normale vent van 26 jaar. Het publiek neemt aan dat een F1-coureur een Porsche of een Ferrari heeft. Nou, ik heb een aangepaste, snelle auto voor in de weekeinden. Al het andere op de markt vind ik eerlijk gezegd nogal ruk.’

Zelfs de machtige TopGear Suzuki Liana, op onze eigen baan? ‘Ja, maar ik moet het snel nog eens doen, omdat Lewis sneller is geweest, en Mark was ook sneller.’ Lieve help, is alles in hun leven dan een wedstrijdje? ‘Natuurlijk, ik ben vrij competitief aangelegd. We zijn gewoon kinderen met groot speelgoed.’

Als hij dan geen Porsches of Ferrari’s heeft, dan kan hij ons toch in elk geval wel vertellen wat voor auto’s hij vroeger reed, zodat we enigszins een idee krijgen van zijn smaak en voorkeuren. Maar ook dat feest gaat niet door.

Hij heeft nog nooit een auto hoeven kopen, want toen hij oud genoeg was om zijn rijbewijs te halen, werd hij doodgegooid met gratis auto’s door de fabrikanten voor wie hij kampioenschappen won. ‘Ik ben verwend. Ik kreeg een auto van de zaak toen ik achttien werd, een BMW X3. De auto die ik kocht, was een BMW-bus.’

Oh. Kan hij dat even toelichten? ‘Dat is praktisch. Om je motorfiets achterin te kunnen leggen en dat soort zaken. Het geeft je vrijheid. En ik kan ‘m houden, want Infiniti maakt zoiets helemaal niet.’

Hij lijkt zich eigenlijk opperbest te vermaken met dit werk, dat hij uiteraard doet voor het geld. ‘Het is leuk om deze mensen te ontmoeten, om zo’n merk te leren kennen.’ Een dagje met deze oprechte en serieuze Infiniti-techneuten moet toch een prettige onderbreking zijn als je het vergelijkt met andere sponsorverplichtingen? ‘Jazeker. Praten over auto’s bevalt me beter dan “hoe zitten onze nieuwe schoenen?”’

Maar: drinkt hij echt Red Bull? ‘Ja.’ De grijns wordt breder. Hij haalt zijn schouders op. ‘Wat kan ik anders zeggen? Ja, ik drink het. Maar in de vrije weekeinden mix ik het met iets anders.’

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken