Radical SR3 SL: eropuit

We zijn een koppig stelletje, hier bij TopGear. Terwijl de rest van het land downsizet dat het een lieve lust is, in naam van de portemo-, eh, het milieu, weigeren wij om onze zes- en achtcilinders op te geven. We peinzen er niet over, maar het zet ons aan het denken: valt er voor rasechte benzinehoofden überhaupt te leven met een brave mindercilinder? We nemen de proef op de som.

Geniet van je grote, dorstige trots – nu het nog kan. Als de benzineprijzen je al regelmatig hoofdpijn bezorgen, bereid je er dan maar vast op voor dat het alleen maar erger zal worden. Strafbelastingen, steden waar men je de toegang weigert, parkeerplaatsen en rijstroken waar je wordt weggepest vanwege je uitstoot, en niet te vergeten: sociale druk. Ik denk dat het niet lang meer duurt voor mijn gorgelende V8 en ik verguisd zullen worden door de door CO2 verblinde maatschappij, voor ik in het verkeer verwensingen naar mijn hoofd krijg en word afgeschilderd als onverantwoordelijk en asociaal, alleen omdat ik graag rondrijd in mijn zuurverdiende en duurbetaalde liefhebberij.

Het begint me de laatste tijd steeds sterker te dagen dat ik me moet voorbereiden op het ergste, dat er uiteindelijk geen andere uitweg zal zijn dan tegen wil en dank te downsizen. Daarom ga ik voor de zekerheid alvast op zoek naar een kleiner, lichter en vriendelijker middel om mijn benzinehart te vullen. Een auto met een minder zware ‘voetafdruk’, waarmee ik nog steeds mijn dagelijkse gram kan halen, het liefst zonder erop achteruit te gaan wat betreft plezier. Dit kan een lange zoektocht worden, maar ik moet ergens beginnen.

Ik heb hier een Radical SR3, een auto die je normaal gezien niet buiten het circuit zult vinden. Dit is echter de SL-versie – ‘street legal’ – wat betekent dat ie knipperlichten heeft, van steviger plastic is gemaakt en voorzien is van een uitlaat die (iets) minder herrie produceert. Hij is in elkaar gezet door Britten met veel verstand van zaken. Het is een compacte machine; z’n drooggewicht komt ongeveer overeen met dat van een uitgemergelde hazewindhond. Onder de polyester kappen huist een turbomotor van bescheiden formaat. Precies de ingrediënten waarop de prijs-, sorry, milieubewuste autokoper tegenwoordig zijn vervoersmiddel uitzoekt.

De beste manier om te bepalen of zo’n groene auto een waardige vervanger kan zijn voor mijn rollende zonde, is natuurlijk door er wat tijd mee door te brengen. Door met ‘m te leven zoals ik met mijn eigen auto zou leven. Het treft: ik beschik over de Radical op mijn vrije dag, een dag waarop ik in eerste instantie het plan had opgevat om er met wat vrienden op uit te trekken. Water, strandje, balletje trappen – een ontspannen dagje met wat hapjes en drankjes en gezelligheid. Ik heb ernaar uitgekeken.


Normaal zouden we met z’n allen in mijn vieze bakbeest springen, maar deze keer is de Radical, in al zijn moderne efficiëntie, het aangewezen vervoer. Wat blijkt: mijn vrienden, zonder enig oog voor de significantie van deze grondige praktijktest, laten zich nogal snel uit het veld slaan.

Om te beginnen was de weersvoorspelling niet direct ideaal om met je blote voeten in het zand te wroeten, dus haakten er meteen al een paar af. Vervolgens klonk er gezanik dat er maar twee mensen in ‘die badkuip’ passen, dus zou de rest moeten fietsen, en daar hadden ze geen zin in. Er bleven twee dames over die wel bereid waren om samen op de passagiersstoel te gaan zitten, maar toen duidelijk werd dat ik – bij gebrek aan bagageruimte – hen zou moeten bedelven onder het nodige eet- en strandgerei, hielden ook zij het voor gezien. Watjes zijn het, allemaal. In naam van alle noodlijdende, overheids-vrezende autoliefhebbers van Nederland wil ik een dagje uit met een Radical, dus dat ga ik doen ook.

‘Als ik gas geef, zuigt de turbo mijn rechteroor eraf, terwijl zwermen vliegjes hun weg vinden in mijn neusgaten’

Vol goede moed laad ik ‘s ochtends mijn spullen in en vertrek ik. Dat laatste klinkt als een simpele handeling, maar er komt aardig wat bij kijken. Om te beginnen de instap; er is geen deur. Dat lijkt niet verrassend bij een model als dit, maar denk er eens even over na: heb je wel eens een straatauto zonder deuren gezien? Precies. In dit geval betekent het dat je een acrobatische stunt moet uithalen om achter het stuur te belanden. Op de fragiele carrosserie staan is uit den boze, dus klim je op de stoel en laat je jezelf, je benen vakkundig origamiënd tussen het dikke airbagstuurtje, het Spartaanse dashboard en de handremhendel, voorzichtig zakken. Achteraf blijkt dat ik het stuur er ook af had kunnen halen, maar dat voelt als een te makkelijke oplossing.

Vierpuntsgordels worden vastgesjord, schakelaars worden omgezet en de 2,0-liter Ford-motor komt met een rauwe brul tot leven. De koets vibreert terwijl de computer het koude blokje draaiend houdt door het toerental omhoog te gooien. Ik duw op de koppeling en trek aan de rechterflipper. Er sist iets achter me, ik hoor een metalige klik en het schermpje voor m’n neus toont dat de eerste versnelling is ingeschakeld. Ik laat het pedaal opkomen en word hardhandig vooruit gekeild, terwijl de zwemflippers en strandballen in het rond vliegen.

Oké, dit is even wennen. Buiten ‘ingetrapt’ en ‘niet ingetrapt’ kent de racekoppeling van de Radical eigenlijk geen tussenweg. Normaal gezien gebruik je ‘m alleen bij het optrekken en tot stilstand komen – rijdend ramt de bak de versnellingen er zonder onderbreking doorheen – maar in langzaam stadsverkeer spreek ik ‘m ook af en toe aan, om te voorkomen dat de aandrijflijn klappen geeft die aanvoelen alsof ik word opgeduwd door een flinke SUV.


De motor hakkelt en sputtert en heeft het niet echt naar zijn zin in de file, maar ik wel. Ik zit prima achter het fijne kleine stuur, en het overzicht is uitmuntend, behalve dan dat ik totaal niet kan zien wat er achter me gebeurt. Mensen zwaaien naar me. Ik kan mijn voeten zowaar fatsoenlijk kwijt wanneer ik ze niet gebruik. Als ik gas geef, zuigt de turbo mijn rechteroor eraf, terwijl zwermen vliegjes hun weg vinden in mijn neusgaten. Het woord ‘bekrachtiging’ kent deze auto niet, en zijn makers zijn ervan overtuigd dat afkortingen als abs en esp duiden op enge aandoeningen waarvoor je met spoed naar de dokter moet.

Als ik de Radical hortend en stotend op een veldje parkeer om aan mijn welverdiende lunch te beginnen, word ik aangestaard alsof ik van een andere planeet kom. Het is inmiddels gaan regenen, dus ik denk dat dat er iets mee te maken heeft. Alsof het vreemd is dat ik dit uitje moedig doorzet, zonder vrienden en zonder acht te slaan op het weer. Het maatschappelijk belang van mijn test ontgaat de grinnikende voorbijgangers volledig, zo stel ik mezelf gerust, terwijl de cockpit van de Radical volregent en ik wat verongelijkt zit te kauwen op een kleffe croissant. Het zal niet de eerste keer zijn dat mensen met goede ideeën belachelijk gemaakt worden.

‘Alles wat de Radical doet of wil gaan doen, meldt hij me kraakhelder’

Na een frisse duik in het nabijgelegen meertje besluit ik verder te rijden naar een plek waar kinderen niet honend aan de kade staan om vervolgens mijn schoenen te verstoppen. Ik pak de boel in, zet me in het harde, natte stoeltje, kloink de Radical in z’n versnelling en zet gezwind koers naar Zandvoort, waar men gewend is aan raceauto’s. Misschien zullen de dappere Radical en ik daar wel geaccepteerd worden.

Onderweg naar de kust begin ik het ritme van de auto te pakken te krijgen. Wanneer mijn weg eens niet versperd wordt door mensen in vele malen saaiere eco-auto’s trek ik de viercilinder open en word ik als een voetzoeker afgeschoten. De motor heeft 300 pk, maar ik heb een klein knopje op het stuur wijselijk op ‘Wet’ gezet, wat betekent dat het beestje zich inhoudt en slechts tweederde van zijn vermogen levert. Het is bittere noodzaak in dit weer, als ik tenminste niet bij een lichte stuiptrekking van mijn grote teen achterstevoren in een greppel wil eindigen met een koelbox op mijn hoofd.

In Zandvoort aangekomen, rijd ik vol goede moed de boulevard op om iemand te zoeken voor een potje beachball wanneer mijn aandacht wordt afgeleid door veelstemmig gebrul uit de duinen. Ik volg m’n oren en beland op de paddock van het circuit, waar ik ontdek dat de heren en dames van de Dutch Race Driver Business Club bezig zijn met een trackday. Er is nog plek, en ik kan meerijden. Dat is leuker dan een balspelletje.


Wanneer ik de pitstraat binnenrol, vliegen er een paar auto’s op volle snelheid over het rechte stuk en zie ik achter de muur de metershoge waaiers van water opgeworpen worden. Ik heb voor de gelegenheid een helm opgezet, maar het vizier beslaat zodra ik het sluit. Ik vraag me hardop af of dit wel zo’n goed idee is.

Voorzichtig leid ik de Radical door de glibberige bochten. De klappen die de achterwielen krijgen bij het op- en terugschakelen, zorgen dat de auto erop los kwispelt, en als ik het gaspedaal niet behandel alsof er een schattig kuikentje onder zit, breekt de kont vrijwel meteen uit. In een reflex moet ik dan alle kanten op sturen om de boel in het kletsnatte gareel te houden. Vanaf moment één behoort dit tot de meest leerzame ritjes die ik op een circuit heb gemaakt: alles wat de Radical doet of wil gaan doen, meldt hij me kraakhelder, en met deze relatief lage bochtensnelheden – de auto staat nog altijd op straatbanden – is er tijd om aan zijn gedrag te wennen.

Nadat ik zo een paar rondjes heb volbracht en een aardige verstandhouding met de grenzen van de grip heb opgebouwd, is er zowaar een droge lijn op het asfalt ontstaan. Dankbaar maak ik meer snelheid; mijn kleine turbomaatje en ik vliegen de bestickerde M3’s voorbij, en voor het eerst vandaag geeft ie me het idee dat ie het echt naar z’n zin heeft. Hij is rotsvast op snelheid, wekt vertrouwen tijdens het remmen en ligt vlak in de bochten. De motor puft en slist en hijgt. Hier is deze machine voor gemaakt.

Dan begint het plots weer te plenzen, en niet te zuinig ook. Plassen vormen zich op het circuit. Diesel-BMW’tjes op full-wet-banden komen me aan alle kanten voorbij zetten en mikken vele liters water onder mijn halfopen vizier. Ik worstel en de Radical zet onbevreesd door, maar wanneer ik bij het opkomen van het rechte stuk in de vierde versnelling onwillekeurig begin te driften, lijkt het me een mooi moment om de pitstraat op te zoeken.

Terwijl de auto afkoelt in de regen, aanschouw ik ‘m vanuit een nabije pitbox. Ach kleine, vinnige SR3 SL, ontzagwekkend monstertje dat je bent. Niet praktisch of comfortabel, eigenlijk ook niet bijster geschikt om mee te gaan picknicken, maar wel een uitkomst voor hen die met één en dezelfde auto willen racen en forenzen. Een knetterend spektakel, een flinterdun stukje statement, en vergeleken met TopGears geliefde zes- en achtcilinders: zo eco als het maar zijn kan.

Mochten onze benzineslurpers over enkele jaren bruut verbannen worden, dan zal ik terugdenken aan deze dag, aan hoe de Radical zich gierend en spetterend hard maakte voor de viercilinders en de gewichtsbesparing. Het is me duidelijk: ook als je de zoete excessen wegneemt, zal de autoliefhebberij nooit uit mijn leven verdwijnen. Al zal ik misschien weinig vrienden overhouden.

Specificaties

Radical SR3 SL

Motor: 2.0 RPE-Ford viercilinder turbo, 305 pk, 332 Nm
Transmissie: 6v sequentieel, achterwielaandrijving
Prestaties: 0-100 km/u in 3,5 s, top 259 km/u
Gewicht: 775 kg
Prijs: ca. € 69.000 (excl. belastingen)

Meer info? www.kohlersport.nl

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken