Autotest: Seat Altea Freetrack 2.0 TSI

Bij Seat denkt menigeen aan een Spaanse Volkswagen die zijn sportiviteit vooral ontleent aan zijn kleur. Denk opnieuw.
 
Seat is de bekende Castilliaanse autobouwer die door generalissimo Francesco Franco cadeau werd gedaan aan de regio Catalonië in ruil voor politieke vrede. De Barcelonezen, zuinig en arrogant als ze zijn, weigerden en masse in de fabrieken van de Spaanse dictator te werken, waarna gastarbeiders uit het verre Andalusië de productielijnen kwamen bemannen. Dat vermaarde Seat, dat groot is geworden door de centrale leiding van die ene, militaire man, werd twee decennia later een ware kampioen in het binnenhalen van subsidies van de Spaanse overheid en de Europese Gemeenschap. Nu Seat in handen van de Volkswagen-groep is, wordt de Spaanse staatsruif geplunderd onder het mom van innovatie.
 
Zie daar de reden van de lancering van deze Freetrack, een auto die direct is afgeleid van de bestaande Altea. Subsidie mag niet meer in Europa, tenzij het doel innovatie is. Dan is er altijd een potje te vinden. Kortom: een nieuwe productielijn, en daarop een nieuw modelletje bouwen in een segment dat Seat nog niet had. Da’s nou innovatie. Een moetje, dus, deze Altea Freetrack? Dacht het niet.
 
De buitenkant is niet per se mooi, misschien. Die rare, grote stukken plastic rondom de wielkasten en bumpers? Smaken verschillen. Wel is het zo dat het plastic het staal beschermd tegen stenen en potentiële roestvorming – want de Freetrack is een echte 4×4 en wil dus graag een grindpaadje of bosweggetje berijden. Handig dus. Daarbij geeft het de auto een ‘ruige’ aanblik. Ook dat is handig want anders zou de Freetrack zo maar kunnen doorgaan voor een fijne familieauto. Is hij dat dan niet? Dat is hij welzeker. Plaats genoeg, zowel in de bak (bijna 600 liter) als voor de vijf passagiers. Achterin wordt standaard een multimediasysteem geleverd, zodat de kinderen zoet kunnen worden gehouden met een filmpje of een spelletje.
 
Overigens is het interieur heel netjes, verzorgd en helder. Er is maar één variant, hetgeen de Spanjaarden heeft genoodzaakt er maar meteen wat van te maken. Het dashboard – weer, smaken verschillen – is in elk geval geen goedkoop, plastic geval en met een regensensor, parkeersensoren, cruisecontrole, donkere ramen en zes airbags hoeft niemand zich onderbedeeld te voelen.
Waarom geen normale Altea gekocht? Die wordt niet ontsierd door plastic boven de wielen en straalt niet uit ‘kijk mij eens, ik kan in de modder’
 
Rijdt dat nou een beetje, zo’n vier centimeter verhoogde Altea? Dat rijdt, werkelijk, opzienbarend goed. Niks geen overhellen, al zeker geen gekantel, en zowel de diesel- als de benzineversie zijn verdomd snel (de wat luidruchtige maar sportieve tweeliter diesel heeft 170 pk, de soepeler tweeliter benzine 200 pk, hoera!). Het gaat als de brandweer, zeg je dan, en als je deze auto in het rood koopt, dan klopt dat als een bus (geel raden we af, alle Seats zijn al geel). Later komt er een uitgeklede, tweewielaangedreven, 140 pk-diesel op de markt, waarvan we bij voorbaat zeggen: koop die maar niet, want die is relatief duur. Stuurt goed, scherp, soepel, de zesbak schakelt vlot, en het remt magnifiek. In de wetenschap dat Volkswagen toezicht houdt op de bouw, is de degelijkheid gegarandeerd. We kunnen geen enkel bezwaar bedenken.
 
Of toch? Want waarom geen normale Altea gekocht? Die wordt niet ontsierd door plastic boven de wielen, die staat normaal, dicht op de grond en straalt niet uit ‘kijk mij eens, ik kan in de modder’. Want de vraag is: wie wil dat? Je kunt wel af en toe met de hond op het strand gaan wandelen, maar moet je daar dan naartoe rijden in iets waarvan anderen denken dat je er ook het strand mee op kunt? Je hebt toch ook geen spoiler van vier meter op je A4 omdat je graag Formule 1 kijkt? Bovendien betaal je bijna achtduizend euro minder voor een 200-pk sterke Altea (de normale uitvoering, de XL is te lelijk voor op de oprit). Oké, je hebt dan geen vierwielaandrijving – je zit vast nu nog na te denken over waarom je dat ook weer nodig zou hebben – en hij ziet er wat minder outdoor uit, maar is dat een bezwaar? Voor sommigen wel, voor anderen niet.
 
De vraag is namelijk voor wie deze auto bedoeld is. Onze Spaanse vriend met een buitenhuis in de heuvels en een vierkoppig gezin staat te juichen en te springen – niet in de laatste plaats omdat de Freetrack in Spanje amper 30.000 euro kost. Een koopje. Nu wordt gelijk duidelijk welke rol de Freetrack in zijn thuisland kan innemen. In Nederland ligt de prijs net onder de 38.000 euro en is de markt sowieso kleiner voor een model als dit. Of misschien, daardoor wordt de markt kleiner voor een model als dit. Zo zegt de Nederlandse Seat-directeur Marco de Bos: ‘We gaan hiermee geen volume draaien.’ Misschien niet. Maar wie niet te zeer aan merk hecht en wel een auto wil die alles kan, heeft en doet wat een moderne, vroeg eenentwintigste-eeuwse auto moet kunnen, hebben en doen, diegene zit met deze Seat gebeiteld. Innovatie bestaat, zelfs als er Spaans overheidsgeld aan te pas komt: vraag niet hoe het kan, maar profiteer er van.

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken