Hoe Robert Doornbos buiten het circuit racete met zijn rivalen

De ex-Formule 1-coureur, presentator en TopGear-columnist racete ook buiten het circuit met zijn rivalen, wat vaak maar net goed ging

Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos
Auto's van Robert Doornbos

Mijn eerste auto was een Opel Corsa die ik kreeg toen ik 14 was. Mijn vader had een eigen bedrijf met grote voertuigen die in de bouw worden gebruikt, en zijn terrein was dus lekker ruim. Ik wilde daar graag spelen met iets met een motor, dus ik zeurde net zo lang aan z’n kop totdat ie helemaal gek van me werd. En een opgelapte Corsa van de sloop voor me kocht. Na drie rondjes val je natuurlijk in slaap, dus vroeg ik zijn personeel water en sop op het terrein te spuiten zodat ik lekker kon driften. Daar begon het eigenlijk…

Die Corsa heeft het trouwens niet lang volgehouden, maar m’n pa zag dat ik er veel aardigheid in had en nogal behendig met een auto kon omgaan. Dus toen ik hem aangaf dat ik heel, heel graag eens een keertje op een circuit zou willen rijden, gingen we naar Zandvoort en mocht ik een Formule Ford proberen. Lang verhaal kort: ik klokte aardige rondetijden en besloot me helemaal op het racen te focussen. En moest daarvoor naar Engeland verhuizen, want daar was de concurrentie het zwaarst en kon ik zo snel mogelijk leren.

Mijn vader wilde een auto voor mij kopen, zolang het iets veiligs was, met al die kilometers die ik ging maken tussen Engeland en België. Hij nam mij mee naar de Audi-dealer en daar stond een nieuwe Audi S3 met mijn naam erop. Het kenteken was ROB-001. Dat was eigenlijk mijn echte eerste auto. Ik weet dat ik in m’n handen mocht knijpen met die S3, maar ik wilde eigenlijk liever een Renault Clio Williams. Veilig? Mwah. Handig voor lange afstanden? Niet echt. Maar nadat ik eenmaal met die Audi had gereden, was ik verkocht. Wat een topauto!

In de Formule 1

Toen ik in de Formule 1 startte, verdiende ik voor het eerst van m’n leven zelf een redelijk centje, dus mijn eerste salaris ging gelijk op aan een BMW M3 SMG. Die had launch control en elke keer als ik die liet schieten – dat kon je ongeveer zes keer doen, dan mocht ie weer naar de garage – keek ik toch in mijn achteruitkijkspiegel of de helft van de versnellingsbak niet op de weg lag. Maar wat was dat een kanon.

Ik moest in die tijd vaak van Monaco, waar ik inmiddels woonde, naar Viareggio in Italië, omdat daar mijn fysieke trainingscentrum zat (www.formulamedicine.com, red.).

Als je dat stuk normaal rijdt, doe je er ongeveer viereneenhalf uur over. Ik had er een sport van gemaakt om zoveel mogelijk tijd daarvan af te schaven met die M3. Op een gegeven moment deed ik het in drie uur en twaalf minuten. Het moest altijd sneller. Dus bij de tunnels van Genova probeerde ik bij elke bocht de apex te raken en elke centimeter asfalt te benutten. Dat er nooit wat is misgegaan, is een godswonder.

F1-rivalen

En dan had je nog jongens als Felippe Massa, die hetzelfde ritje moesten maken. Het kwam regelmatig voor dat we tegen elkaar ging racen. Een keer ruilde ik voor een dag mijn auto met zijn Ferrari F12, die hij toen net had gekocht. Met die auto dacht ik dat ik mijn snelste tijd wel kon verbeteren. Op een gegeven moment kwam ik uit een van de tunnels, op een kaarsrechte weg die naar beneden liep, met slechts één vrachtwagen, verder niemand. Dus ik trap ­natuurlijk het gas vol in om te kijken hoe hard dat ding zou gaan. 300, 310, 320, en ik schiet met 330 die vrachtwagen voorbij. Waarna ik in mijn ooghoek nog net een Fiat Punto voor die vrachtwagen zie tuffen. Donkerblauw, met ‘carabinieri’ erop.

Tja, wat doe je dan? Ik dacht: doorknallen met die V12, ze halen me toch nooit in. Maar twaalf cilinders worden nogal dorstig met die snelheden, dus na tien minuten moest ik echt even tanken. Terwijl ik bij de pomp sta, zie ik die politie-Punto aan komen rijden. Een van die agenten stapt uit, doet zijn pet recht en komt naar mij toe gelopen. ‘Mooie auto. Ging nogal hard hè?’ Hij neemt een foto, stapt weer in z’n Punto en rijdt zo weer weg. Ferrari. Italiaans kenteken. Dat kwam dus helemaal goed. Had ik een Duitse auto en kentekenplaten gehad, dan zou ik waarschijnlijk nu nog vast hebben gezeten. ­Italianen zijn supertrots op Ferrari en Lamborghini, dus met dat soort auto’s kom je bijna met alles weg.

Eigen autohandel

Mijn Formule 1-carrière was onderweg en ik had inmiddels een handel opgezet in exclusieve auto’s, iets waar ik tegenwoordig nog steeds veel mee bezig ben. Dus het is heerlijk om een ingekochte auto eerst even zelf te rijden alvorens ’m weer te verkopen. De ene week een C 63 AMG, dan weer een Panamera Turbo; ik geniet van al die auto’s. Er stroomt benzine door mijn aderen, dus ik voel me daarom nog meer bevoorrecht dat ik van mijn hobby toen, en ook nu, mijn beroep heb kunnen maken. De leukste van die auto’s is waarschijnlijk een Ferrari 575 Maranello die ik een tijdje reed, en die ik helaas te vroeg heb verkocht. Maar ja, je kunt niet alles hebben.

Als ik in Nederland ben, rij ik in de auto van mijn vriendin, een Range Rover Sport. Voor mij zijn auto’s inmiddels meer handelswaar geworden. Ik heb op dit moment ook niet echt een favoriete auto. Maar de auto’s aan het begin, toen ik net m’n rijbewijs had en begon met racen, die waren wel echt te gek. Daar bewaar ik veel goede herinneringen aan.

De auto’s van Robert Doornbos

Opel Corsa

Auto's van Robert Doornbos

Audi S3

Auto's van Robert Doornbos

BMW M3 SMG

Auto's van Robert Doornbos

Ferrari 575 Maranello

Auto's van Robert Doornbos

Range Rover Sport

Auto's van Robert Doornbos

Reacties

Geef een reactie

(verplicht)

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws