Een ondeugende kleine hatchback op ouderwets lekkere b-weggetjes – dan weet je wel ongeveer wat je mag verwachten, toch? Nou, niet met deze nieuwe mega-Mini…

De tankdop zit ons dwars. Hij zit op dezelfde plek als gewoonlijk, maar de Mini John Cooper Works GP is geen gewone Mini. Dit is niet alleen de krachtigste, snelste Mini die ooit voor de openbare weg werd gebouwd, hij neemt ook nog eens de ‘meest gestoorde bodykit op de markt’-titel over van de Honda Civic Type R. En toch… Dat kleine dopje verpest het effect een beetje. Hoe functioneel – hoe nodig – zijn die dunne, mesachtige koolstofvezel wielkastverbreders als er eentje een lomp gat laat vallen waar de brandstof naar binnen moet?

Wandel een rondje om de nieuwe Mini John Cooper Works GP en je voelt je op nog meer manieren ongemakkelijk. Hoe serieus moeten we dit ding nemen? Zoals bij alle snelle Mini’s is de luchtinlaat op de motorkap nep, net als het grootste deel van de grille. De uit twee delen bestaande dakspoiler is groot, maar ook dik en plastiekerig, alsof ie is vormgegeven in een crêche in plaats van in een windtunnel. Als geheel is de GP cartoonachtig opgeblazen en overdreven, als een Superman-­kostuum met een six-pack.

Kijk wat beter – kruip op je knieën – en de GP begint er eindelijk veelbelovend uit te zien. De voorwielen zijn strakgespannen om remschijven ter grootte van dinerborden en forse, gespierde remklauwen. De uitlaatpijpen zijn enorme, gapende tunnels die onder de achterbumper uit een dikke demper priemen. Daarvoor vind je een versterkende brace die uit een spoorbrug lijkt te zijn gesneden, bevestigd met hetzelfde soort bouten dat zorgt dat festivaltenten geen grote, dure vliegers worden. Achter de lipstick op z’n neus zitten de radiator en andere hulpstukken dicht op elkaar geprakt, ingekapseld door de carrosserie. Van dichtbij lijkt ie toch goede bedoelingen te hebben.

Spring achter het stuur en je krijgt dezelfde mix van indrukken. Zoals altijd zit je lekker laag in de auto, met je benen voor je uitgestrekt, geheel natuurlijk: precies goed. Achter het stuur zit een stel 3D-geprinte flippers van aluminium; daarboven het digitale tellerscherm uit de elektrische Mini Cooper SE, met rode in plaats van groene graphics. Achter je schouders vind je een kamerbrede, tomaatrode veerpootbrug en een smerig raam – want om gewicht te besparen, schrapte Mini de achterbank en de achterruitenwisser.

Toch zijn de overgebleven stoelen geen flinterdunne kuipjes: het zijn de royaal beklede, verwarmde tronen uit de standaard Mini JCW. Er is een volledig iDrive-systeem, gescheiden klimaatcontrole, elektrische ramen en normale deurgrepen in plaats van stoffen lusjes. De meest extreme Mini ooit behoudt zelfs zijn opklapbare armsteun, die telkens in de weg zit wanneer je in een bocht aan de handrem wilt trekken.

De eerdere Mini John Cooper Works GP’s

Om eerlijk te zijn heeft Mini er voor de GP’s altijd al een vreemde uitrusting op nagehouden. Ze komen pas aan het eind van de levenscyclus van een modelgeneratie, dumpen de achterbank, voegen zo’n 20 pk toe en verstijven de ophanging, maar behouden alles waar de gemiddelde makelaar om geeft. De eerste uit 2006 was een knalhard bruisend bommetje dat slechts 1.090 kilo woog. De GP2 uit 2013 was losbandiger, vinniger, met een turbo die hem meer koppel gaf. Van elke versie werden er slechts 2.000 gemaakt, en een trouwe schare discipelen betaalde graag forse bedragen voor een tweezits Cooper met een stuk treinrails achterin. We zijn benieuwd wat ze nu weer van deze hebben gemaakt.

Het is lachen om de GP3 te starten: zoals in alle Mini’s is het een pleziertje om de motor aan te zwengelen met de grote, gewichtige rode tuimelschakelaar naast de versnellingspook. Je krijgt een nogal onnodige bult toeren van de 2,0-liter turbo-viercilinder, maar de uitlaat knettert alleen als ie al is opgewarmd. Trouwe fans zullen een probleem hebben met hoe je vervolgens dient weg te rijden. Normaal gezien zou je een te forse versnellingspook via een fijn klikkend mechanisme in de eerste versnelling tikken. In de Mini John Cooper Works GP moet je een van BMW afkomstige hendel twee klikjes naar achter duwen zodat er een D op het scherm verschijnt. Ja, het is een automaat. Er is geen handbakoptie, en nog opmerkelijker: in plaats van de zeventraps transmissie met dubbele koppeling gebruikt Mini een achttraps unit met koppelomvormer. Omdat die nu eenmaal al aan deze motor vastzit.

In tegenstelling tot de eerste twee Mini GP’s, eigenlijk Cooper S’jes die tot psycho-prestaties waren opgezweept, is de GP3 in feite een BMW M135i in een retrojasje. De motor is dan ook niet ‘een beetje gekieteld’ ten opzichte van de al aardig gewillige 231 pk van de gewone JCW. Oh, zeker niet. Dit is een Mini met meer dan 300 pk. Met dank aan versterkte zuigers, een steviger krukas, meer turbodruk en injectoren met grotere capaciteit heeft de GP dezelfde 306 pk en 450 Nm als de heetste 1-serie. Ook erft ie z’n sperdifferentieel op de vooras en eerdergenoemde achttraps automaat. Het enige deel van de aandrijflijn dat niet in de copy/paste-klus werd meegenomen, is de vierwielaandrijving. De GP pompt al z’n pk’s naar de voorwielen.

Anders dan andere Mini’s

En dat heeft effect. Het duurt niet lang voor de Mini John Cooper Works GP volstrekt duidelijk maakt dat ie niet is als andere Mini’s. Hij heeft een totaal andere persoonlijkheid en vertoont ijskoude, efficiënte en… ontzettend Duitse precisie. Waar een standaard JCW z’n vermogen oprookt met wielspin en loopt te emmeren met aandrijfreacties in z’n stuur, klauwt de GP zich naar monumentale prestaties. Het is een gestoord snel instrument, wanneer je hem eenmaal door z’n goede oude turbogat heen hebt gedrukt. Blijkbaar is het maximumkoppel al beschikbaar bij 1.750 tpm, maar je hebt ideaal bezien eigenlijk 3.000 toeren nodig voor de GP echt in z’n hum komt. Dan slingert hij je door de betreffende versnelling in één grote elastieken beweging, waarbij hij rechte stukken asfalt met een Audi RS 3-achtige minachting behandelt.

Van de automaat mag je de linkerflipper vasthouden om de computer op de ideale momenten te laten terugschakelen tijdens het afremmen. Kneusbestendig, maar niet heel sociaal. Wil je het heft in eigen hand nemen, dan worden de gangwisselingen afgerond of opgeschoven tot het moment dat de nullen en enen zeggen dat het goed is. Het argument van Mini is hetzelfde als dat van andere snelle-autofabrikanten: flippers maken de auto rapper op het circuit (deze Mini John Cooper Works GP rondt de Nordschleife in minder tijd dan een BMW M2) en makkelijker te rijden voor een breder publiek, zodat prutsende Pietje altijd beide handen aan het stuur kan houden. Maar het offer is ook hetzelfde als bij elke andere handbakcastratie: de bestuurder blijft een armlengte verwijderd van de actie.

Dezelfde houding als op de rechte stukken

Als we bij een bocht aankomen, vermoeden we dat er hier toch wel wat Mini-heid zal uitlekken. Maar nee, de GP heeft dezelfde houding in bochten als op rechte stukken: het zijn ongemakken die dienen te worden vernietigd. Kennelijk heeft niemand de GP geïnformeerd over het fenomeen rolneiging. Of over onderstuur. Je gooit ’m erin, je voelt hoe hij aan de weg blijft plakken en je kunt vervolgens je voet lomp van het gas trekken, maar de achterkant geeft nog geen wiebeltje. De hoeveelheid grip die de GP weet te behalen, is spectaculair. En dan heeft ie niet eens speciale banden of moeilijke downforce-grapjes om hem te helpen.

De carrosserie ligt 10 millimeter lager dan bij een JCW, de spoorbreedte is iets groter en er staat genoeg rubber op de weg, maar er is hier niets exotisch aan de hand. De dempers zijn passief, het differentieel is niet zo agressief als dat van, zeg, een Civic Type R – hoewel de GP in z’n opzet behoorlijk lijkt op de Honda. Hij is meedogenloos snel. Alleen kun je in de Honda genieten van de individuele elementen: een versnellingsbak van wereldklasse, een kwaad differentieel en een opwindende motor. Dit is de verbazende paradox van de snelste Mini ooit: hij kan maar één trucje. Ja, het is vreselijk indrukwekkend dat zo’n belachelijk ogend geval rijdt alsof ie grondeffect-skirts en een Scalextric-magneet aan boord heeft, maar het enige wat die vinnen en vleugels doen, is een hoop windgeruis genereren.

Zet de stabiliteitscontrole uit. Zoek een bocht met wat zand en kiezels op de apex. Uitbreken? Vergeet het maar. Deze Mini snapt niets van dat soort humor. Hij ziet eruit als een clown, maar hij is meer de Joker dan Ronald McDonald. De Mini John Cooper Works GP pronkt met het uiterlijk van een superheld, maar denk niet dat er iets te lachen valt…

Specificaties Mini Cooper John Cooper Works (2020)


Motor: 2.0 viercilinder turbo, 306 pk, 450 Nm
Aandrijving: voor­wielen, 8v automaat
Prestaties: 0-100 km/u in 5,2 s, top 264 km/u
Gewicht: 1.255 kg
Prijzen: € 61.900 (NL) / n.b. (B) [uitverkocht]

Reacties

Geef een reactie

(verplicht)