Autotest: Porsche Panamera Turbo

We kunnen alle clichés uit de kast halen over de Cayenne, maar waarom zouden we? Met Porsches eerste limousine rijd je gerust 315 km/u. Daar werden we even stil van.
 
De eerste foto’s beloofden niet heel veel goeds, de tweede serie foto’s oogde al beter, en oog in oog – een aantal maanden terug – vonden we ‘m weer ietsje minder. Maar het meerijden maakte toen veel goed. We mochten op dat moment niet zelf achter het stuur plaatsnemen: een testcoureur van Porsche gunde ons een paar snelle rondes op Porsches eigen circuit. Nu mogen we eindelijk zelf rijden. Vol verwachting klopt ons hart.
 
Wordt een auto gepresenteerd aan de pers, dan staan meestal verschillende uitvoeringen ter beschikking, in verschillende kleuren, met verschillende optiepakketten. Zo word je als journalist in de gelegenheid gesteld om alles aan een nieuw model uit te testen – en uiteraard pikken wij het meest snelle en dikke model er dan uit om jou over te informeren. We vlogen dus op de Turbo af.
 
Nog even over die presentatie, over het uiterlijk. We hebben de Panamera nu in een stuk of acht verschillende kleuren mogen bewonderen, op verschillende soorten velgen en banden. Kleur en wielen, dát zijn precies de twee zaken die de Panamera echt mooi maken, of oerlelijk.
 
Neem de Panamera in het wit zoals op de foto, of donkerblauw met de grootst mogelijk velgen en lage banden, en hij ziet er bijzonder stijlvol en strak uit, en vooral ook snel. Mercedes S-klasse, BMW 7-serie, Audi A8? Bejaardensloepen worden dat naast de Panamera. Slechts een Maserati Quattroporte kan een beetje appelleren aan de snelle uitstraling. Praat je over stijl, dan blijft de Quattroporte de Panamera trouwens wel voor. Maar de Panamera is anders. Heel anders. En dat merken we pas als we zelf achter het stuur zitten en de Duitse Autobahn op gaan.
 
Het eerste gevoel dat je in de Panamera krijgt is: ik rijd in een grote 911. Dat wordt versterkt door het interieur dat op veel punten gelijkenis vertoont met de 911. Daarmee ook met de Boxster, de Cayman en de Cayenne. Het stuur is voor een leek identiek, de grote toerenteller als meest aanwezige klok voor je neus, in het midden, is heel herkenbaar en het gevoel, de zitpositie, de eerste meters sturen – je waant je echt in een zwaarbeladen 911. En in een uitgerekte 911 als je in je achteruitkijkspiegel kijkt.
 
Hij stuurt scherp, maar niet zo haarscherp als een 911. Wel scherp genoeg. We moeten ons telkens inprenten dat we in een grote, vierpersoons luxelimo zitten en dat we de Panamera ook als zodanig moeten beoordelen, en niet als een uitgewalste 911. We hebben een tikje moeite om binnen de bebouwde kom de juiste snelheid te rijden, al konkelend op zoek naar de oprit van een Duitse snelweg. Een lichte beroering van het gaspedaal zorgt ervoor dat de van twee turbo’s voorziene 4,8-liter V8 een extra aantal van z’n in totaal 500 pk’s aanspreekt om ons in een knipoog op 100 km/u te brengen. Terwijl we toch echt geacht worden hier wat langzamer te rijden. Buiten de bebouwde kom kunnen we iets harder, binnen een tweede knipoog rijden we 200, maar dat is nog steeds iets te hard. Na tien minuten doemt de snelweg op en dat is maar goed ook – er is niet zo veel aan, tot nu toe.
 
Als je weleens Top Gear kijkt (of onze vorige editie las), heb je ongetwijfeld Richard Hammond en James May in de Panamera gezien. James vond de Panamera saai, als je gewoon wat rijdt. Hij heeft gelijk, wie zijn wij om hem tegen te spreken, en dat heeft alles te maken met het gevoel dat de Panamera je geeft: opperste rust. Dat wat die andere Duitse limo’s je ook geven – maar op heel andere wijze, meer voor sigaar rokende bankiers zeg maar, en daar waar de Quattroporte met veel geknetter en geknal al stationair laat weten dat hij het ruigste jongetje van de klas wil zijn. Lichtjes accelereren binnen de bebouwde kom in een Quattroporte betekent voetgangers de stuipen op het lijf jagen. Lichtjes accelereren in de Panamera op dezelfde plek geeft niet meer dan een lichte roffel. Los van de duizelingwekkende versnelling. Je kunt wel een van de drie miljoen knopjes op het middenconsole van de Panamera indrukken, eentje zet zelfs wat klepjes in de uitlaat open om voor meer aandacht te zorgen, maar heel spectaculair wordt het niet. Dat vinden we niet negatief – de Panamera, ook deze dikste uitvoering, doet wat hij beoogt: jou en je eventuele medepassagiers heel comfortabel vervoeren, op scherpe en sportieve wijze, en ook ontiegelijk snel als je dat wilt.
 
Niets is heerlijker dan een lege Duitse snelweg voor je neus, zeker als je je in een vlot wagentje bevindt. We rommelen wat aan knopjes om de auto in de Sport Plus-stand te zetten – wordt-ie lager van, harder geveerd, directer – en zetten de uitlaatklepjes open, geven plankgas. In de tijd dat jij deze alinea leest, zitten wij op 280 km/u. We laten de automaat schakelen want de schakelknoppen op het stuur zijn een eigenwijsheidje van Porsche. Ellende is misschien een beter woord. Als we dan toch met knoppen moeten schakelen, dan willen we graag peddels, en achter het stuur. Het zal vast wennen, als je er tien jaar mee rijdt, maar het is tegennatuurlijk, onlogisch en onprettig. Er wordt gefluisterd dat Porsche er aan werkt.
 
Van 80 op de oprit van de snelweg naar 280 km/u gaat zo verschrikkelijk snel, zo verschrikkelijk in één vloeiende beweging dat we er stil van worden. Onderwijl houden we gewoon onze rechter voet stijf op het gaspedaal gedrukt, en hoewel de echt vette acceleratie er boven de 290 km/u wel uit is, stoomt de Panamera nog rustig door tot 315 km/u. Opdoemend verkeer maakt een einde aan de doorbreking van ons persoonlijk snelheidsrecord op de openbare weg (daar waar het is toegestaan), we hebben de indruk dat-ie gerust boven de 320 km/u zou zijn uitgekomen. Hoewel dat niet nodig is, stampen we flink op de rem – gewoon om eens te kijken wat-ie daarvan vindt als je boven de 300 rijdt. Onze oogbollen willen naar buiten en we moeten ons echt met twee handen aan het stuur vasthouden om niet via de voorruit de auto vroegtijdig te verlaten: hij remt flink goed. Koolstofkeramisch zijn de remmen. Dat zal ongetwijfeld een Fiat 500 extra kosten.
 
We sukkelen met 120 voort. Allemachtig wat saai. Je kijkt eens naar buiten, speelt met de knoppen van de origami-vleugel achterop – flap-in, flap-uit – en als alle TDI’tjes weer netjes rechts rijden, bewegen we het gaspedaal weer in de loodrechtstand. Geen trilling, geen wiebel, niets anders is waarneembaar dan een kaarsrechte en haast lineaire versnelling en voordat onze zintuigen zich hebben ingesteld om weer boven de 300 te rijden, rijden we 300. Wat een feest.
 
Porsche geeft trouwens zelf een top van 303 km/u op voor de Panamera Turbo. Wijkt de kilometerteller zo af, vragen we aan een ingenieur van Porsche? ‘Nee hoor, maar 303 km/u is de ondergrens om alle exemplaren te laten halen, dus tref je ook exemplaren aan die wat sneller zijn.’
 
Langzaamaan beginnen we het licht te zien. We vergeten de irritatie van de schakelknoppen, we kijken door de bizarre en volstrekt overbodige knoppenmassa heen. Het gaat om het sportwagengevoel. Dat heeft-ie. Dat geeft-ie. Het is geen limousine die sportief gemaakt is, het is een sportwagen die geschikt is gemaakt voor vier personen en hun bagage. Met onmiskenbare Porsche-genen.
 
Heb je eenmaal met de Turbo gereden en heb je tweeënhalve euroton liggen (dat is inclusief lekkere opties als keramiek aan de remmen, een geluidsinstallatie met een triljoen watt, elektrische achterstoelen en een navigatiesysteem met telefoonvoorbereiding), dan moet je die nemen. Dat ben je zeker met ons eens als je ooit een proefrit mag maken.

 
 

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws

TopGear Nederland

Automerken