Bentley Flying Spur (2020) vs Continental Flying Spur (1958)

Wie gaat er trouwen?

Er gaat niemand trouwen, maar je zult maar het geluk hebben dat je zo’n smetteloze S1 Continental Flying Spur uit 1958 als deze je huwelijksbootje mag noemen. Toen hij een dikke 60 jaar geleden nieuw was, kostte hij een haast onvoorstelbare 8.034 pond. Klinkt als niet veel, maar het was zo’n tien keer het gemiddelde Britse salaris; omgerekend naar nu 195.000 pond. En dus is de nieuwe Flying Spur relatief goedkoop: 168.300 pond is ‘maar’ zo’n vijf keer een gemiddeld Brits jaarsalaris. In Nederland komt ie trouwens op een ton of drie; zit je toch weer op acht jaarsalarissen, maar goed.

Daar krijg je dan ook wel wat voor

De Flying Spur is fysiek groter dan de S1 – langer, breder en zwaarder – maar auto’s zijn vandaag de dag nu eenmaal groter. Makkelijker om te rijden, ook, en dat ligt er voornamelijk aan dat ze een stuur en pedalen hebben die ook echt enige invloed hebben op de snelheid van een auto en de kant die hij op gaat. Enorm veel invloed zelfs, in het geval van de immens snelle (333 km/u!) en uiterst bekwame nieuwe Flying Spur.

De S1 is fantastisch, maar die remmen… Je zou net zo goed je portier kunnen openen als je er wat snelheid uit wilt halen. De 4,9-liter zes-in-lijn, die zalig stil en soepel is, ramt er met het grootste gemak doorheen. Als je het rempedaal al kunt vinden. Elk mens met een normale schoenmaat zal serieuze problemen hebben met het wisselen tussen het gas- en rempedaal; het mechaniek van de handrem zit nogal in de weg.

Dat klinkt, eh… sub-optimaal

Is het ook. Maar zoals het zo vaak gaat met oude auto’s: je vergeeft het ze. Vooral omdat het zo’n heerlijk apparaat is om in te vertoeven. Want hoewel je in de vijftiger jaren ook ‘gewoon’ een S-serie Continental kon kopen, bestelden de puissant-rijken die van hen liever bij een specialist, een coachbuilder. Een van die coachbuilders was H.J. Mulliner, die ook de naamgever was van de Flying Spur, en er een elegantere, rijker uitgerustere auto van maakte. Dit is een van de 217 auto’s die ze bij Mulliner tussen 1955 en 1959 bouwden.

Is ie comfortabeler dan de nieuwe?

In sommige opzichten wel. Neem de stoelen. Die van de nieuwe kun je in duizend richtingen verstellen, en ze verwarmen, koelen en masseren de inzittenden zelfs. Maar die oude zijn gewoon zó heerlijk zacht. Je zakt erin weg, net als in je favoriete leunstoel. De nieuwe is ruim toebedeeld, zeker, maar de oude is gewoon van een andere orde, met overal hout (en van die dikke plakken, geen fineerlaagjes), de dikste tapijten die je ooit hebt gezien, prachtige art-deco-verlichting en een massief-metalen (misschien zelfs wel zilveren) knop van de pook.

De echte, onafhankelijke coachbuilders zijn goeddeels verdwenen, maar Mulliner leeft voort als onderdeel van Bentley zelf – daar ga je naartoe als je echt iets heel bijzonders wilt. De tot twaalf exemplaren gelimiteerde Bacalar is hun eerste creatie. Benieuwd wat er volgt.

Reacties

Geef een reactie

(verplicht)

Het nieuwste van TopGear

Autonieuws